Extremadura 2018 – Sierra de Gredos

Fotoalbum ‘Extremadura 2018 – Sierra de Gredos’ weergeven

In 1910 besloot de Spaanse overheid om iets te doen aan de toeristische infrastructuur die op dat moment ondermaats was. Men wilde een luxehotelketen uitbouwen vooral op plaatsen waar er weinig particuliere initiatieven waren. Op die manier zou men kapitaalkrachtige toeristen kunnen lokken naar gebieden met een prachtige natuur of naar historische en cultureel interessante plekken. Zo ontstonden de parador-hotels. De hotels zijn meestal gevestigd in kastelen, paleizen en kloosters die op die manier gered werden van het verval.

Circo de Gredos, Laguna Grande

De locatie voor de eerste parador koos de toenmalige koning persoonlijk. Het was het jachtpaviljoen, net buiten Navarredonda in de Sierra de Gredos, van een van zijn voorgangers. Na een zware verbouwing werd deze parador net 90 jaar geleden geopend. De volgende dagen is dit hotel onze uitvalsbasis voor enkele wandelingen in de Sierra de Gredos.

Iberische steenbok (Capra pyrenaica)

De Sierra de Gredos ligt net buiten Extremadura in het verlengde van de vallei van de Jerte, ingesloten tussen de Rio Tormes in het Noorden en de Rio Tiétar in het zuiden. Het is een langgerekte bergketen die soms wat aan Zwitserland doet denken. Prachtige dennenbossen en uitgestrekte weilanden met loslopende koeien met klingelende bellen.

Wandeling naar Laguna Grande

Een groot deel is een beschermd natuurpark, waarin veel wild leeft met onder andere steenbokken. De totale lengte is circa 100 kilometer en er zijn tien toppen boven de 2400 m. Van november tot mei-juni zijn deze bedekt met sneeuw. De hoogste top is de Pico Almanzor (2592 m). Samen met enkele andere bergtoppen vormt deze het keteldal ‘Circo de Gredos’ met daarin een meertje: ‘La Laguna Grande’. Een ‘cirque’ is een door gletsjers uitgeslepen half cirkelvormige vallei. Ze komen enkel voor op hellingen met weinig zonneschijn. Sneeuw en ijs kunnen daar ophopen en door de schurende werking van het gletsjerpuin erodeert een deel van de helling.
De wandeling naar de Laguna Grande is dan ook dé wandeling die op het programma staat. Felix heeft in een ver verleden, wel 30 jaar terug in de tijd, deze wandeling gelopen. Hij is benieuwd of ze nog steeds dezelfde diepe indruk op hem maakt.

Zicht van uit hotelkamer

We rijden dan ook rechtstreeks van Plasencia naar het vertrekpunt van de wandeling. Vanaf ‘Hoyos del Espino’ nemen we de afslag in de richting van ‘Plataforma de Gredos’. Onderweg passeer je een checkpoint waar je € 3,00 betaalt om verder te rijden naar de parkeerplaats van de Plataforma. Vanaf hier zijn alle bomen verdwenen en zijn er enkel nog rotsen, bremachtige struiken en kruidenvegetatie te zien. De parkeerplaats ligt tussen de rotswanden die aan beide kanten flink omhoog lopen. We hopen om hier steenbokken te zien. Het is niet de bedoeling om de wandeling naar de Laguna helemaal te toen, dat sparen we op voor morgen, maar wel om de omgeving bij het begin van de wandeling te verkennen. Want het weer is slecht. Er staat een koude wind, er hangen lage wolken met mist en er valt zo nu en dan wat motregen.

Ortolaan (Emberiza hortulana)

Vlak bij het vertrekpunt van de wandeling laat een eerste ortolaan zich al gewillig fotograferen. Dit mooie vogeltje met een grijsgroene kop; een gele oogring, keel en baardstreep, en een roze bruine onderzijde, was tot halverwege de 20e eeuw bij ons in Limburg een broedvogel. De schaalvergroting in de landbouw waarbij de houtwallen verdwenen en de omschakeling van granen naar mais maakten daar een einde aan. Ook zien we de eerste voorjaarsbloeiers. Ze op naam brengen is niet simpel. We hebben wel wat boeken bij over de mediterrane flora, maar hier zijn wij duidelijk in de bergen. En de online versie van de 21 boekdelen omvattende ‘Flora Iberica’ is voor ons, met onze beperkte kennis Spaans, veel te ingewikkeld.

Iberische steenbok (Capra pyrenaica)

We zien in de verte een groep steenbokken op de kale rotsen rondlopen. Het is een ondersoort van de Iberische steenbok: de Gredossteenbok (Capra pyrenaica victoriae), die enkel hier voorkomt.
Steenbokken zijn echte groepsdieren. Ze leven in kuddes tot 50 dieren van uitsluitend bokken of geiten. Enkel tijdens de bronstijd in november en december komen gemengde groepen voor. Tijdens de dag grazen ze op grote hoogte, maar aan het eind van de middag dalen ze af naar de lagere zonnige hellingen om daar te grazen en te luieren in de zon.
Helaas ontbreekt de zon vandaag, maar de voorspellingen voor morgen zijn veel belovend. In de namiddag doen we dan maar de rondwandeling door de dennenbossen in de omgeving van de parador.

Goed uitgerust beginnen we de dag daarna aan de wandeling. Het weer is gewoon schitterend: geen wolkje aan de lucht, wel fris want vannacht was de temperatuur gedaald tot net boven het vriespunt.

Crocus sp.

Vanaf het parkeerterrein loopt een breed pad met grote ongelijkmatige platte stenen de berg op. (In de zomermaanden kan het hier verschrikkelijk druk zijn, en door de aanleg van deze paden blijven de mensen beter op het pad.) Het eerste deel stijgt snel waarna we in een vlakker deel uitkomen. Wat een mooie omgeving met prachtige vergezichten, kleine meertjes, watervallen, grote sneeuwplekken en snel stomende beekjes. Ook de voorjaarsflora is gewoon schitterend met krokussen en narcissen. Het geheel doet ons aan alpenweides denken. Ook de ortolaan is weer van de partij maar ook de gele kwikstaart en de tapuit zitten in de omgeving.

Wandeling naar Laguna Grande

Een betonnen bruggetje gaat over de rivier Pozas waarna we in een steiler stuk komen. Vanaf nu moeten we ook regelmatig door de sneeuw lopen. Door de krachtige zon smelt de bovenlaag en moet je bij elke stap door een ijslaagje heen.

Blauwborst (Luscinia svecica)

Bij het uitzichtspunt van Los Barrerones zien we regelmatig heggemussen en blauwborsten in de struiken zitten. Het is niet de variant van de blauwborst die wij van in België kennen met een witte ster op de borst. De witte ster ontbreekt, maar of zijn borstje geheel blauw is?
Eens boven op de rand hebben we een mooi zicht op de cirque en kunnen we zien waar de Laguna Grande zich bevindt.

Iberische smaragdhagedis (Lacerta schreiberi)

We dalen nog een eind verder af maar moeten dan omkeren. Er ligt te veel sneeuw en daar zijn wij niet voor uitgerust. Het voordeel is wel dat we nu veel tijd hebben voor de terugweg. De heerlijke lente zon heeft ook de hagedissen van onder de stenen gelokt. De Cyren’s berghagedis (Iberolacerta cyreni) is vrij talrijk en de Iberische smaragdhagedis (Lacerta schreiberi) blijft schitterend poseren. We moeten ook opletten want de rode rotslijster komt hier voor. De volwassen mannetjes zijn erg kleurrijk met een lichtblauwe kop en opvallend roestrode borst en buik en wit op de rug.

Iberische steenbok (Capra pyrenaica)

Het duurt wel even voor we er een zien, op een rots aan de overkant van de beek. Wat mooi! Terwijl we het huppen en de rondvliegen van de rode rotslijster observeren komt ook een kudde van wel 50 steenbokken van de helling naar beneden. Een mannetje met lange hoorns is duidelijk de leider want als hij gaat liggen op een dikke steen volgen de andere zijn voorbeeld.

We kunnen alleen maar besluiten dat de aangename herinnering die Felix had overgehouden aan zijn wandeling hier in 1988 volkomen terecht is.

Fotoalbum ‘Extremadura 2018 – Sierra de Gredos’ weergeven

Advertenties

Extremadura 2018 – De Vera en Jerte-vallei

Fotoalbum ‘Extremadura 2018 – De Vera en Jerte-vallei’ weergeven

Ten noordoosten van Plasencia liggen drie groene valleien die uitgesleten zijn in een graniet massief: de vallei van de Ambroz, de vallei de Jerte en het meest zuidelijk: de Vera (de vallei van de Tiétar). Samen vormen ze de groene noordoosthoek van Extremadura.

Parelzaad sp. (Lithodora diffusa)

Onderling zijn de valleien gemakkelijk te bereiken door bergpassen. De Honduraspas verbindt de Ambroz met de Jerte en via de Piornal pas kan men van de Jerte-vallei naar La Vera. Nog verder naar het noorden toe liggen de hoge bergen van de Sierra de Béjar en de Sierra de Gredos. De regio van de 3 valleien heeft een zachter bijna mediterraan klimaat dan de omgeving, vooral de zomers zijn er minder heet.

De vallei van de Jerte

Plasencia zelf ligt stroomafwaarts in een bocht van de vallei van de Jerte. Net voor de Jerte door de stad stroomt is er een groot stuwmeer. Zoals op vele plaatsen in Spanje zijn op grote en kleine rivieren dammen gebouwd die het water zoveel mogelijk tegenhouden. Heel veel van die dammen zijn aangelegd na de tweede wereldoorlog tijdens het bewind van de Spaanse dictator Franco. Hij had een duidelijk voorliefde voor stuwdammen en stuwmeren die volgens hem ‘een gevoel van technische kracht en menselijke macht’ uitstralen en moeten gezien worden als een overwinning op de natuur. Terwijl de bevolking in armoede leefde werd er zeer veel geld besteed aan de bouw van de dammen. Bij de aanleg van de stuwmeren werd niets ontzien waardoor dorpen, kerken en paleizen in het water verdwenen. Spanje telt zo’n 1300 stuwmeren.

boshyacint (Hyacinthoides non-scripta)

De naam “Jerte” doet bij elke Spanjaard een belletje rinkelen, want iedereen weet dat de beste Spaanse kersen de ‘cereza picota’ hier vandaan komen. In de laatste twee weken van maart en de eerste week van april, staan hier meer dan een miljoen kersenbomen in bloei, die de hele vallei met een witte sluier bedekken. Helaas waren we net te laat voor de prachtige panorama’s van de bloeiende bomen. Vanaf eind mei volgt dan de pluk. Heel veel kersen worden ter plaatse verwerkt in producten zoals confituur, likeur, koekjes, thee en zelfs wijn. Helaas hebben we de grote dozen met verse kersen net gemist omdat we toen al weer weg waren.
Het is heerlijk wandelen in de vallei van de Jerte. Begin mei kan je hier op enkele kilometers de hele lente aan je voorbij zien komen. Beneden in de vallei (op zo’n 600 m hoogte) staan de Portugese eiken en de tamme kastanjes al volop in blad terwijl boven op de Piornalpas, die op ongeveer 1200 m ligt, de bomen nog in knop staan. De onderbegroeiing is erg boeiend en rijk met meerdere orchideeënsoorten zoals mannetjesorchis en wit bosvogeltje. Niet alleen moeten de laatste perceelrestjes en boorden wijken voor nieuwe kersenbomen; helaas worden er voor de kersenteelt ook veel sproeimiddelen (zowel insecticiden als herbiciden) gebruikt. Dit is natuurlijk zeer nefast voor de insecten en de rijke onderbegroeiing.

Piornal – Peña negra

Eens boven op de pas van Piornal komt men op een bijna boomloos plateau. Je kan daar over een veerooster het gebied in rijden en parkeren aan een stuwmeertje. Iets verder ligt een grote rotsformatie ‘Peña Negra’. Vandaar heb je een schitterend vergezicht op de Jerte-vallei. Het landschap kleurt er roze van de Spaanse heide. Daarnaast groeit hier ook boomheide (deze is wit) en tal van voorjaarsbloeiers als krokussen en meerdere soorten narcissen. De lage begroeiing is een thuis voor vele vogeltjes. De grijze gors, maar vooral de ortolaan is hier de vedette.

grijze gors (Emberiza cia)

Een topper is ook de wandeling in het ‘Reserva Natural de la Garganta de los Infiernos’. Er zijn meerdere routes door de kastanje bossen die leiden naar een kloof met hele mooie witte geërodeerde rotsen genaamd ‘los Pilones’. Net als in andere stortbeken in de buurt komt het koude en kristalheldere water met grote kracht naar beneden. Het stroomt van het ene bassin naar het andere. In de hete zomer moet dit absoluut een publiekstrekker zijn voor de diegene die verkoeling zoeken in deze natuurlijke jacuzzi’s.

Garganta de los Infiernos

Wij vertrokken van uit het dorp Jerte en kozen voor een 15 km lange rondwandeling. Door de vele neerslag van de voorbije periode kunnen we op ongeveer het verste punt de rivier niet oversteken op de voorziene plek. We kiezen ervoor om een eind verder achterom te lopen. Daarbij komen we uit op het authentieke bergpad dat keizer Karel vijf eeuwen geleden heeft afgelegd toen hij op weg was naar Juste.

Keizer Karel (Karel de vijfde, ofwel ‘Charles Quint’ voor de Spanjaarden) werd in Gent geboren in 1500. Eerst was hij landheer van de Nederlandse gewesten, later koning van Spanje en uiteindelijk de laatste Rooms-Duitse keizer. Zijn rijk was gigantisch groot, zelfs groter dan het vroegere Romeinse Rijk. Dit doordat hij niet enkel regeerde over grote delen van Europa maar ook over de verre overzeese bezittingen onder meer in de Cariben, Centraal-Amerika en Afrika.

Klooster van Yuste

Moe, ziek en gedesillusioneerd doet hij in het najaar van 1555 troonsafstand om zich terug te trekken in een klooster in Yuste, in de vallei van de Vera. Hij had deze plek gekozen vanwege de sfeer en de rust om na een liederlijk leven het hier op een vrome manier af te sluiten.

Vertrekken keizer Karel

Het hiëronymieten-klooster van Yuste bestaat uit twee delen. Je hebt het klooster met een sobere kerk en een mooie kloostergang en daaraan vast gebouwd: het woongedeelte van de keizer. De keizerlijke villa is een eenvoudig bakstenen gebouw met weinig decoratie. Het bestaat uit een centrale hal met aan elke kant twee kamers. In de linkervleugel de eetkamer en de slaapkamer. Deze laatste heeft uitzicht op het altaar van de kloosterkerk. In de slaapkamer hangt een heel sobere sfeer doordat de muren volhangen met zwarte gordijnen ten teken van rouw voor zijn overleden echtgenote Isabella van Portugal. Aan de rechterkant zijn nog twee kamers om bezoekers te ontvangen, elk met een balkon met uitzicht op de tuin en met een mooi zicht over de Sierra de Guadalupe.

Klooster van Yuste

Opvallend is dat de woonvertrekken ook te bereiken zijn langs een hellend vlak. Dat was nodig omdat hij veel last had van jicht en zich meestal liet dragen. In een van de kamers is de speciale stoel te zien die de pijn in zijn benen moest verlichten. Ook staat er zijn draagstoel/draagkoffer waarin hij de laatste jaren voor zijn dood door Europa werd rondgedragen. Op 58 jarige leeftijd is hij in zijn slaapkamer gestorven aan de gevolgen van malaria. Zelf had hij zijn graf voorzien onder het altaar van de kloosterkerk zodat de priester tijdens de mis over hem zou lopen als een vorm van boetedoening.

Fotoalbum ‘Extremadura 2018 – De Vera en Jerte-vallei’ weergeven

Extremadura 2018 – Ook een schepje cultuur

Fotoalbum ‘Extremadura 2018 – Ook een schepje cultuur’ weergeven

Naast een indrukwekkende natuur is er in Extremadura op cultureel vlak ook heel wat te beleven. Zo telt Extremadura op dit moment zelfs drie plaatsen die door de UNESCO zijn uitgeroepen tot werelderfgoed: Mérida, Cáceres en Guadalupe.

Romeinse ruïnes van Cáparra

Zowel in de steden als daarbuiten kom je bouwwerken tegen zoals bruggen, aquaducten, kastelen, forten en kloosters die gebouwd zijn door volkeren en culturen die in deze streek ooit hebben geheerst. In de verschillende musea zijn er voorwerpen te zien die men hier opgegraven heeft. De oudste zijn uit de prehistorie en uit de bronstijd (ca.3 000 tot 800 v.Chr.). Al van voor de jaartelling waren de Romeinen actief in deze streek. In 155 v. Chr. stichtte de Romeins keizer Augustus de stad Mérida. Dit werd de hoofdplaats van de romeinse provincie Lusitania, die bestond uit het centrale deel van Portugal en Extremadura. Gedurende de vijf daaropvolgende eeuwen kende de streek veel voorspoed. Er werden wegen, bruggen en aquaducten aangelegd en de steden Cáceres en Trujillo werden gebouwd. Hiervoor was natuurlijk veel hout nodig waardoor de “dehesas” en bossen rondom deze steden gekapt werden. De gevolgen daarvan zijn nu nog steeds zichtbaar: de uitgestrekte steppegebieden.

Romeinse ruïnes van Cáparra

Ook legden de Romeinen een netwerk van wegen aan. De ‘Vía de la Plata’; hun hoofdbaan door het Iberisch schiereiland, loopt van zuid naar noord midden door Extremadura. “Plata” zou niet verwijzen naar zilver, maar een afleiding zijn van het woord “balata” wat Arabische is voor “geplaveide weg”. Ten noorden van Plasencia in de gemeente Oliva de Plasencia is nog een stukje van de oorspronkelijke heirweg te zien. Ze passeert hier bij de restanten van de nederzetting Cáparra, een vakantieoord van de Romeinen. Een unieke vierzijdige triomfboog is daar zeer goed bewaard gebleven. Na de Romeinen kwamen de Visigoten en de Moren. Gedurende meer dan 700 jaar waren er periodes van relatieve rust, waarbij de moslims, joden en christenen broederlijk naast elkaar leefden en periodes met fikse oorlogen en veldslagen.

Bij de “reconquista” of de herovering door de Spaanse koningen vanaf de 11e eeuw werden er heel wat vestingsteden gebouwd zoals o.a. Plasencia.

Plasencia

Plasencia is een aangename stad en een leuke uitvalsbasis om de streek te ontdekken. In het oude omwalde stadsdeel neemt het kathedraalcomplex een centrale plaats in. Hier staan twee aaneen gebouwde kerken die sterk van elkaar verschillen. Het oudste deel (La Catedral Vieja) is uit de 13e eeuw en is in sobere romaans gotische stijl opgetrokken.

Plasencia Cathedral

Vanaf de 15e eeuw heeft men een deel van de oude kerk afgebroken en begon men met het bouwen van een nieuwe kerk. Door verschillende problemen werden de werken gestopt in 1760, waardoor er nu 2 (korte) aan aaneen gebouwde kerken staan. De nieuwe (La Catedral Nueva) is gebouwd in een decoratieve renaissance stijl met barok elementen. Alles mocht veel rijkelijker zijn want er was geld genoeg. Nadat Columbus Amerika had ontdekt, stuurde Spanje ‘conquistadores’ naar Centraal- en Zuid-Amerika om de Nieuwe wereld te veroveren en te bekeren. Velen van hen kwamen uit Extremadura, elke stad had wel minstens één conquistador. Zo kwam Hernán Cortés, de veroveraar van Mexico uit Medellín. Francisco Pizarro, de veroveraar van de Inca’s en Francisco de Orellana die het Amazonegebied ontdekte waren van Trujillo. Na hun rooftocht bekeerden ze de plaatselijke bevolking, introduceerden ze de Spaans taal en gaven ze aan de steden of landen de namen van hun thuisland.

Parador – Convento San Vicente Ferrer

Rond de kathedraal van Plasencia zijn er paleizen en herenhuizen te zien. Zo zie je er het 18e-eeuwse bisschoppelijk paleis en het casa del Deán, het huis van de deken. Het klooster van Santo Domingo uit de 15e eeuw is omgebouwd tot parador. Sommige huizen worden nog steeds door particulieren bewoond, zoals het oorspronkelijk uit de 13e eeuw stammende paleis van Monroy, of ‘het huis met de twee torens’ en het renaissancistische paleis van de markies van Mirabel.
Op de Plaza Mayor is het Casa Consistorial, het gemeentehuis, de blikvanger. Het huidige gebouw is een reconstructie van een gebouw uit 1523. Wat vooral de aandacht trekt is de kleurrijke pop op de klokkentoren die de uren slaat.

Cáceres – Ermita de la Paz en Torre de Bujaco

Cáceres – Iglesia de San Mateo

Een absolute topper is Cáceres. Binnen de Moorse vestingmuren staan statige huizen met grote patio’s. Vanaf de 13e eeuw was Cáceres een bloeiende handelsplaats .De kooplieden lieten er prachtige huizen bouwen vaak met wachttorens. Daarbij wedijverden ze met de plaatselijke adel en later met de teruggekeerde conquistadores. Op bevel van het koningspaar Isabella en Ferdinand moesten wachttorens afgebroken worden en de huizen herbouwd. Het gevolg daarvan is dat de stad nu een harmonisch geheel vormt.

De oude stad is een wirwar van straatjes en pleinen. Aan de plaza de Santa María bevindt zich de gelijknamige kathedraalkerk (Concatedral). Er tegenover staat het Bisschoppelijk paleis met op de gevel enkele medaillons die verwijzen naar de ontdekkingsreizen in Amerika. Vele huizen hebben ramen met traliewerk en balkons en bijna allemaal tonen ze ergens een wapenschild. Mooie voorbeelden daarvan zijn het Huis met de Zon (Casa del Sol), het huis van de Arend (Casa del Águila) of de toren van de Ooievaars.

Museum of Cáceres

In het paleis met de Windwijzers (Palace de las Veletas) is het Provinciaal museum gevestigd. Voorheen stond hier een Moors alcázar. We zijn er net voor sluitingstijd en hebben slechts enkele minuten de tijd om in de kelder de ‘cisterne’ uit de 11e eeuw (die de bevolking van water voorzag) te gaan bekijken.

Moorse cisterne

Jarramplas Felix

In Extremadura heeft men ook oude tradities weten te behouden. Een folkloristische traditie zagen we in Piornal, een dorpje in de vallei van de Jerte. In het dorpshuis is er een klein museum dat uitleg geeft bij het feest dat elk jaar op 19 en 20 januari gevierd wordt: de Jarramplas. Het is ook de naam van een duivelsachtig personage dat volgens de legende moest gestraft worden om dat hij het vee roofde en doodde.
De figuur, elk jaar iemand anders, loopt 24 uur lang rond in het dorp in kleurrijke kleding en met een zwaar conisch masker met twee lange hoorns en een grote neus. Onder de kleding draagt hij een dikke beschermlaag want de dorpsbewoners en bezoekers bekogelen hem met aardappelen en rapen. Het is de bedoeling dat de Jarramplas zo lang mogelijk door de straten loopt en op zijn trommel speelt.

Voor een filmpje hiervan: https://www.youtube.com/watch?v=EhE0-4_kZbQ
Zelf mochten we ook zo’n masker opzetten om te voelen hoe zwaar het wel niet is. Gelukkig werd op ons niet met rapen gegooid.

Fotoalbum ‘Extremadura 2018 – Ook een schepje cultuur’ weergeven

Extremadura 2018 – Vogels spotten in de steppes

Fotoalbum ‘Extremadura 2018 – Vogels spotten in de steppes’ weergeven

In het zuidelijke deel van Extremadura, ruim rond de steden Cáceres en Trujillo, liggen de licht glooiende, uitgestrekte steppegebieden. Het is een surrealistisch kaal landschap.

Steppe omgeving Santa Marta de Magasca

Steppe omgeving Santiago del Campo

De Mediterrane bossen die er ooit waren zijn totaal verdwenen door houtkap. Tussen de afgeschuurde granieten rotsplaten steken hier en daar puntige stenen uit: ‘dientes de perro’ of hondentanden zoals ze hier genoemd worden. Meestal groeit er enkel wat gras tussen de stenen en in het voorjaar is er een opstoot van akkerkruiden. Op plekken, waar de bodem iets minder rotsig is, wordt er in sommige jaren graan of koolzaad geteeld. Daarna moet men de bodem weer enkele jaren onbewerkt laten rusten om te herstellen. Het schaarse gras dat er dan groeit dient in het voorjaar voor de grazende schapen of geiten. In de zomermaanden droogt alles uit door de intense zon met temperaturen die kunnen oplopen tot 45°C. Het vee werd vroeger via ‘vías pecurias’ of runderpaden naar de zomerweiden in de noordelijker gelegen bergen gedreven. Nu gebeurt de transhumance nog steeds, maar wel met vrachtwagens.

grauwe kiekendief (Circus pygargus)

Je zou verwachten dat in zo’n gebied weinig te beleven valt als natuurliefhebber. Maar het tegendeel is waar. In het voorjaar (april-mei) is het land nog niet opgedroogd, is de temperatuur nog aangenaam en zijn de velden nog kleurrijk en bovenal er zitten overal vogels. Dit is het favoriete leefgebied van de steppevogels. Naast de graslandsoorten zoals: de grote en de kleine trap, de griel en de wit- en zwartbuikzandhoenders kan je hier o.a. ook scharrelaars, de hop, de kuifkoekoek, grauwe kiekendieven, kalander-, thekla- en korttteenleeuweriken, de zuidelijke klapekster, de blonde tapuit, enz… waarnemen.

Steppe omgeving Santiago del Campo

Doordat het gras dit jaar, dankzij de overvloedige neerslag in de vroege lente, al behoorlijk hoog stond zijn ze nog moeilijker te spotten dan andere jaren. Steppevogels gaan kijken is steeds weer een hele belevenis. Je moet vroeg uit de veren, want het beste moment om de vogels te zien is de vroege voormiddag of de late namiddag. Eigenlijk moet je al minstens een half uur voor zonsopgang in het gebied te zijn. Het is dan nog koud; dus de dikke kleren moeten aan. Tevens zit je in een erg dun bevolkt gebied, dus de picknick mogen we zeker niet vergeten. Het zijn ook lange dagen want eens het middag wordt gaan de vogels in het gras liggen en zijn ze niet meer te zien. In de late namiddag worden ze weer actief en krijg je een tweede kans om ze te spotten. Maar het is zo’n boeiende belevenis dat we graag enkele keren deze moeite deden en naar de buurt van Hinojal, Torreorgaz of Santa Marta de Magasca reden.

scharrelaar (Coracias garrulus)

Als we vanuit Cáceres (zo’n 80 km ten zuiden van Plasencia) het gebied inrijden zien we in de buurt van Santa Marta de Magasca een hele rij elektriciteitspalen met allemaal nestkasten. Ze hangen hier om de scharrelaars (prachtige felblauwe vogels met bijna turkoois blauwe vleugels), de kans te geven te broeden. Omdat het een stenig gebied is, zijn de weiden afgesloten door muurtjes van gestapelde stenen. Daarop en op de draden zagen we o.a. kleine torenvalken, kauwtjes, zwarte spreeuwen, diverse leeuweriken en een kuifkoekoek. Het wijfje van de kuifkoekoek legt haar eieren meestal in het nest van eksters. Zij mogen dan het ei uitbroeden en het kuifkoekoeksjong grootbrengen.

Baltsende grote trap (Otis tarda)

Links en rechts van de weg en langs de verbindingsweg naar Talavan/Hinojal is het uitkijken voor trappen en hoenders. Grote trappen zijn grote zware vogels, waarvan de mannetjes wel 10 kg kunnen wegen. Ze kunnen behoorlijk vliegen en doen dat dan zoals een arend, met zware diepe vleugelslagen. Ze zijn vooral gekend voor hun typisch baltsgedrag. Het mannetje keert zijn verenkleed binnenstebuiten tot een wit ‘schuimbad’ om vrouwtjes te verleiden. Een schitterend zicht. Ze draaien dan rond waardoor het moeilijk is om te zien waar hun voor- of achterkant is. Op zo’n momenten zijn ze even niet op de omgeving gefocust want normaal zijn ze erg schuw. Zelfs op een afstand van een paar honderd meter lopen ze al weg en verlies je ze tussen het hoge gras snel uit het oog.

kleine trap (Tetrax tetrax)

Van de kleine trap hadden wij een paar mooie waarnemingen, maar we hadden de indruk dat er minder zaten als vroeger. Wij dachten: onzichtbaar door het hoge gras? Maar naar verluid doen de kleine trappen het al een paar jaar niet zo goed in Extremadura.
Als wij bij onze eerste stop door de telescoop keken zagen wij reeds een koppeltje witbuikzandhoenders in het gras zitten. Daarna hoorden en zagen wij nog meerdere keren een groepje vliegen. Ze landden echter niet daar waar wij het graag gehad zouden hebben. En als je ze niet hoort of ziet landen zijn ze bijna niet te vinden. Merken ze iets verdachts in de omgeving, dan drukken ze zich tegen de grond en gaan ze gewoon op in de omgeving.
Zwartbuikzandhoenders kregen we dit jaar niet te zien. Normaal zitten ze goed gecamoufleerd op de geploegde akkers. Maar dit jaar waren er geen geploegde akkers kort bij de baan.

slangenarend (Circaetus gallicus)

Met de verrekijkerkijker en de telescoop hadden we erg mooie waarnemingen. Maar je moet niet alleen de velden in het oog houden maar ook de lucht afspeuren. Regelmatig vliegt er wel iets rond: grauwe kiekendieven, zwarte wouwen, gieren en arenden. Ze zoeken al vliegend het gebied af naar prooien. Daarbij hadden we schitterende waarnemingen van een jagende slangenarend en een jonge steenarend.

Ermita de la Virgen del Río

Tijdens de middaguren kan je natuurlijk net als de vogels een siësta houden, liefst onder een schaduwrijke boom die hier of daar bij een boerderij staat, de stad Cáceres bezoeken of een wandeling maken. Zo vonden we na even zoeken een weg die vanuit het dorp Talaván naar de Taag loopt. Wandelen door een prachtig landschap op de grens tussen steppe en dehesa: gewoon schitterend. Op het einde van de weg staat een kerkje, de Ermita de la Virgen del Río. Het staat vlak aan het water. Enkel het café ontbreekt! Jammer, want dan zou de wereld echt ideaal zijn.

Fotoalbum ‘Extremadura 2018 – Vogels spotten in de steppes’ weergeven

Extremadura 2018 – Wandelen in de “dehesas”

Fotoalbum ‘Extremadura 2018 – Wandelen in de “dehesas”‘ weergeven

In de loop van de eeuwen is het landschap in Extremadura sterk veranderd. Vroeger, lang voor de Romeinse tijd, was het vrij monotoon. Alles was bedekt met Mediterrane bossen met voornamelijk olijfbomen en steeneiken. Waarschijnlijk was het klimaat toen zachter met minder extreme temperaturen en meer regen. Deze bossen zijn door houtkap vrijwel compleet verdwenen.

Dehesa

Nu kunnen we drie grote landschapstypes herkennen: glooiende uitgestrekte steppegebieden in het zuiden; centraal ligt het gebergte waar onder andere het park van Monfragüe deel van uitmaakt en daartussen en errond “dehesas” of boomweiden. Deze laatste landschapsvorm is vrij uniek en zeer interessant.

Wandeling met vertrek aan Embalse de Valdelinares

kleine parelmoervlinder (Issoria lathonia)

Boomweiden komen uitsluitend hier en in Portugal voor op een schrale, arme bodem. Deze bodem bestaat uit zuur rotsachtig gesteente met daarop een dunne humuslaag. “Dehesas” zijn het best te omschrijven als uitgestrekte weilanden die spaarzaam beplant zijn met vooral steeneiken en in mindere mate met kurkeiken. Door selectieve kap ligt de afstand tussen twee bomen rond de 15 meter. Ook worden de bomen zo gesnoeid dat ze niet in de hoogte groeien, maar een brede kroon hebben. Op die manier ontstaat er rond elke boom een microklimaat door het spel van zonlicht en schaduw. In de zomer, als de temperatuur gemakkelijk kan oplopen tot boven de 40°C, bieden ze dan weer verkoeling voor de grazende dieren.
Al eeuwenlang worden deze uitgestrekte weilanden begraasd door koeien en vechtstieren, geiten, schapen en in het najaar ook door varkens. De bodem is schraal en de kwaliteit van het gras is maar matig. Alhoewel de dieren min of meer vrij rond lopen in zeer uitgestrekte gebieden is er in de zomermaanden soms niet genoeg voedsel en moeten ze bijgevoederd worden.

Paeonia broteroi

De “dehesa” is een echt cultuurlandschap want om de 8 tot 10 jaar moeten de eiken gesnoeid worden. Daarbij gaat men de kroon zo uitdunnen dat er net genoeg zonlicht door gelaten wordt voor een optimale groei van de eikels. In de herfst dienen deze als voedsel voor o.a. de varkens met de zwarte poten; de ‘pata negra’. Hun hammen, de ibericoham wordt officieel geclassificeerd in verschillende kwaliteiten. De beste en de duurste is de “Jamón Ibérico de Bellota”. De term ‘bellota’ komt van de wetenschappelijk naam van de variëteit van de steeneik ‘Quercus ilex L. subsp. Ballota’. Door deze eikels krijgen de hammen een zoete nootachtige smaak.
De kurkeiken worden ook in cyclussen van 7 à 10 jaar ontdaan van hun schors. Dat pellen gebeurt zorgvuldig, veelal door specialisten, om het onderliggende weefsel niet te beschadigen.

Landschap Ahigal

In het voorjaar zijn de “dehesas” gewoon prachtig. Vooral op de niet bemeste percelen is de onderbegroeiing weelderig en erg kleurrijk: soms een fel geel, soms blauw, paars, of rood of een bont gekleurde combinatie ervan. Daarnaast staat nu ook de meidoorn in volle bloei samen met hier en daar weelderige bossen pioenrozen. We kunnen ons nauwelijks voorstellen dat dit in de zomer een dor landschap zal worden. Tijdens onze vorige reizen hadden we enkel de ervaring om met de auto langs deze boomweiden te rijden en zo nu en dan eens uit te stappen. Maar nu we meer tijd hebben kunnen we af en toe eens een langere wandeling maken. Dankzij Jenny en Michel weten we dat een aantal “dehesas” vrij toegankelijk zijn voor wandelaars en daar hebben we gebruik van gemaakt. Door er te wandelen wordt alles zoveel intenser: de geuren, de kleuren en natuurlijk de geluiden van de fluitende en kwetterende vogels.

rotsmus (Petronia petronia)

Niet zo zeer de soorten planten zijn indrukwekkend, maar wel hun aantal. Ze trekken allerlei insecten (waaronder vele soorten vlinders en libellen) aan. En waar insecten zijn zie je natuurlijk ook reptielen en vogeltjes. Interessant zijn de plekken met water in de buurt zoals bronnen, de nu nog niet drooggevallen beekjes en drinkpoelen en de stuwmeren of embalsa’s. Daar is altijd wel iets bijzonders te zien. Ze zorgen er mee voor dat “dehesas” een enorme biodiversiteit kennen.

Spaanse iris (Iris xiphium)

De boomweiden zijn een waar vogelparadijs, in de eerste plaats voor de vele zaad- en insecteneters. Wij zagen o.a. verschillende soorten leeuweriken, rotsmussen, appelvinken, bijeneters, roodkopklauwier, wielewaal, koekoek, blauwe eksters, de hop en zoveel meer. Ze allemaal opsommen zou een te lange lijst zijn. Daarnaast zijn de “dehesas” het foerageergebied voor gieren en de vele prooivogels die hier en in de omgeving leven. In de winter komen tot wel 80.000 kraanvogels (Grus grus) overwinteren in Extremadura. Ook zij hebben de eikels uit de dehesa’s op hun menu staan.

bijeneter (Merops apiaster)

Erg fotogeniek zijn toch wel de bijeneters. Om te “testen” of Felix een voormiddag lang stil kan zitten werd hij door Michel in zijn fototent geïnstalleerd in de buurt van een wand met bijeneters. En ja, het experiment is 100 % geslaagd. Hij is enthousiast blijven zitten en maakte er fantastische opnames van bijeneters en rotsmussen.

En wat neem je mee als picknick op een wandeling door de dehesa? Jamón Ibérico natuurlijk! Zo kan je de “dehesa” ook proeven.

Fotoalbum ‘Extremadura 2018 – Wandelen in de “dehesas”‘ weergeven