Nog 3 dagen in Zuidwest-IJsland

Fotoalbum ‘Nog 3 dagen in Zuidwest-IJsland’ weergeven

Ook tijdens de laatste dagen van ons verblijf in IJsland is het weer niet al te best. We zijn al dik tevreden als het min of meer droog blijft en niet te hard waait. We wisten natuurlijk vooraf al dat het weer erg wisselvallig kon zijn, maar de optimist in ons rekende toch op wat meer zon.
We hebben dan noodgedwongen weer maar wat geschoven met onze planning.

Ter hoogte van Selfoss, waar we logeren, is de kuststrook breed. Hier ligt, tussen de kust en de estuaria van de rivieren Ölfusá en Þjórsá, een uitgestrekt landbouwgebied (meestal weilanden). In het verleden heeft men grote delen van dit van oorsprong moerassig gebied ontwaterd. In het (vogel)reservaat Flói heeft men het gebied in zijn oorspronkelijke staat proberen te herstellen. Gelukkig hebben we onze laarzen bij en kunnen we gaan wandelen. In deze vochtige weilanden zien wij zeer veel tureluurs, regenwulpen, IJslandse grutto’s, graspiepers,… En op elke plas ligt wel één of meerdere roodkeelduikers. Helaas zijn de vogels bij regen en laaghangende wolken niet echt actief.
Als je de ringweg vanuit Selfoss volgt in oostelijke richting kom je achtereenvolgens heel wat bezienswaardigheden tegen.

Seljalandsfoss

Een eerste daarvan is de Seljalandsfoss. Net als bij enkele andere grotere en kleinere watervallen in de buurt stroomt het water hier over de rand van een klif. Tijdens de laatste ijstijd was dit de kustlijn. Nadien is het land omhoog gekomen ten opzichte van de zeespiegel. Over een afstand van enkele honderden kilometers liggen deze kliffen precies parallel aan de huidige kustlijn en vormen zo de grens met de achtergelegen hooglanden. Bij de Seljalandsfoss stort het water 60 meter vrij naar beneden. Het spectaculaire aan deze waterval is dat je er achterdoor kunt lopen. Achter de waterstraal ligt namelijk een open grot waardoor het mogelijk is over een glibberig pad achter de waterval door te wandelen. Je wordt er wel nat, maar het is eens iets anders, en het uitzicht is erg verrassend.

Skógafoss

Bij de Skógafoss, een volgende waterval enkele kilometers verder, kan je rechts van de waterval langs een pad omhoog wandelen tot boven. Het is een flinke klim, maar omdat het grootste deel van het pad als trap is aangelegd, is het goed te doen. Door de waternevel is er, áls de zon schijnt, een regenboog te zien.
Het water dat via deze watervallen naar beneden stroomt is afkomstig van twee gletsjers, de kleinere Eyjafjallajökull en de grote Mýrdalsjökull. Beide gletsjers liggen op een vulkaan; de eerste op de gelijknamige Eyjafjallajökull, terwijl onder de Mýrdalsjökull de Katla vulkaan verborgen ligt. De Katla is een van de grootste en meest actieve vulkanen van IJsland die gemiddeld elke 40 tot 80 jaar uitbarst. De laatste eruptie was in 1918 en voor een volgende uitbarsting wordt al jaren gevreesd.

Eyjafjallajökull 2010

Eyjafjallajökull in de wolken

Het meest fris in het geheugen zit echter de uitbarsting in het voorjaar van 2010 van de Eyjafjallajökull. Al was het maar omdat de nieuwslezers zo zaten de stuntelen met het correct uitspreken van de naam van de vulkaan. Enorme aswolken werden de lucht in geblazen en verstoorden gedurende enkele weken het luchtverkeer boven Noord- en West-Europa. De tephra bestond uit uiterst kleine messcherpe fragmenten en stofdeeltjes die niet alleen vliegtuigmotoren konden beschadigen, maar die bij inademing ernstige longbeschadiging konden veroorzaken.
Nu is er van de uitbarsting niet veel meer te zien. Een van de boeren, van wie grote delen landbouwgrond onder de stoflaag verdween, heeft een gebouw langs de ringweg opgetrokken waarin toeristen kunnen gaan kijken naar foto’s en een film van de uitbarsting en souvenirs kunnen inslaan.

Sólheimajökull

Slechts enkele kilometers verder ligt de kleine Sólheimajökull, een uitloper van de Mýrdalsjökull. Deze gletsjer is super makkelijk te bereiken. Er loopt een geasfalteerde weg tot op een grote parking. Vanaf daar moet men slechts een kwartiertje wandelen langs de Jökulsá rivier, die het naar zwavel ruikende smeltwater afvoert, en men staat aan de voet van de gletsjer. Voor wie bij een gletsjer denkt aan een witte ijskap moet dat beeld hier even bijstellen. Door de vulkaanuitbarstingen, zowel recent als in het verleden, is de ijslaag vooral zwart, met hier en daar wat wit-blauw ijs.
In de omgeving van het stadje Vík, worden de zwarte zandstranden onderbroken door prachtige kliffen en rotspartijen die uit het water steken.

Dyrhólaey

Meest westwaarts ligt Dyrhólaey (= deurgat), een 120 meter hoge Kaap met een groot gat erin. Het is tevens het meest zuidelijke puntje van IJsland en sinds 1978 een reservaat. In mei en juni is de omgeving afgesloten voor bezoekers zodat o.a. de papegaaiduikers, Noordse sterns en kleine Jagers er in alle rust kunnen broeden. Vanaf het pad naar de vuurtoren, op de top van de klif, heb je een schitterend rondom zicht: de golven die continu inbeuken op de rotsen, de zwarte stranden, groene weilanden, en in de verte bergen en gletsjers.

Basaltzuilen

Nog dichter bij Vík vind je de kliffen en grotten van Reynisfjara. Ze zijn van basalt, net als de erg fotogenieke zeskantige zuilen op het strand. Natuurlijk zitten hier de Reynisdrangar trollen voor iets tussen; ze werden verrast door de eerste zonnestralen en versteenden. Net als bij alle bezienswaardigheden in het zuiden is het hier erg druk. De omgeving is dan ook prachtig, maar ook gevaarlijk door de ‘deadly sneaker waves’ die hier kunnen voorkomen. Wie te kort bij de waterkant komt, kan plots weggesleurd worden door deze verraderlijke hoge golven met een gevaarlijke onderstroom.

Hjörleifshöfði

Na Vík wordt het landschap een beetje somber. Hier beginnen de enorme zwarte zandspoelvlaktes die de rest van de zuidkust bedekken. Ze zijn ontstaan na vulkaanuitbarstingen onder het ijs. Enorme hoeveelheden smeltwater, as en stenen stroomden daarbij traag naar zee. Om een mooi zicht te hebben op dit uniek landschap, rijden we naar Hjörleifshöfði, een alleenstaand plateau (220 m) op de grote vlakte. Een pittige klim naar de top wordt beloond met een mooi uitzicht op de omgeving. Helaas slechts van korte duur, want daar is weer een stevige bui!

Highlands omgeving Hekla

We kunnen natuurlijk IJsland niet verlaten zonder een trip naar de rand het uitgestrekte onbewoonde binnenland: het hoogland of ‘the highlands’. Alle hooglandroutes zijn slechts gedurende enkele weken open, van juli tot begin september en dan nog uitsluitend voor krachtige 4×4 wagens. Hoewel de wegen in slechte staat zijn, zijn het vooral de rivier doorsteken die de grootste uitdaging vormen. Er zijn twee routes in goede staat (en opengesteld voor alle auto’s) die tot aan de voet van het hoogland komen. Ze worden al eeuwenlang gebruikt om de schapen die hier in de zomer grazen af en aan te voeren. Recent zijn ze nog verbeterd ten behoeve van de nieuw gebouwde hydro-elektriciteitscentrale.

Skaftholtsrettir

Net zoals het verboden is in IJsland om paarden in te voeren, geldt dat ook voor schapen. De dieren die hier rondlopen zijn allemaal directe afstammelingen van de schapen die door de Vikingen werden meegebracht. Door natuurlijke selectie is er een erg sterk ras ontstaan dat men vanaf het prille voorjaar, als de lammetjes net geboren zijn, tot in de herfst vrij laat grazen in de afgelegen bergen en op de hoogvlakten. Eind september verzamelen de boeren alle schapen in een cirkelvormig bouwwerk, de réttir. De dieren worden er gesorteerd per eigenaar en gaan dan terug mee naar de boerderij of naar het slachthuis. Schapen zijn erg belangrijk voor de IJslandse economie zowel vanwege het vlees als de goede kwaliteit van de wol, welke uitstekend geschikt is voor het breien van truien.
In IJsland tref je schitterende watervallen aan in alle soorten en maten. Zo is de Hjálparfoss een kleine dubbele waterval. Het water van de twee rivierarmen stort naar beneden en komt samen in één bassin. In vroegere tijden gaf deze waterval aan dat de zware, risicovolle doorsteek door het binnenland vanuit het noorden achter de rug was.

Þjóðveldisbærinn Stöng

Iets verder ligt Þjóðveldisbærinn, een replica van een boerderij uit de tijd van de Vikingen. Ze geeft een beeld van hoe men hier 1100 jaar geleden leefde en werkte. De boerderij, waarop men zich gebaseerd heeft voor deze constructie, ligt enkele kilometers verder. Ze werd bij een uitbarsting in 1104 bedolven onder een dikke laag tephra.
Van de tijd van de Vikingen dateert ook de taal die IJslanders spreken. Ze is verwant is aan het Oud-Noors en in al die tijd nauwelijks geëvolueerd. Voor ons is ze quasi onverstaanbaar en ook het lezen en uitspreken is een onbegonnen zaak. Zeker door de letters die wij niet kennen zoals þ, ð, æ en het ontbreken van C,W, Q en Z.

Tot nu toe reden we bij deze trip steeds door groene valleien. Dat houdt echter plots op als we in de buurt van Búðarháls komen. Een tegenvaller, want het hele landschap is zwaar toegetakeld door de bouw van een hydrocentrale. Men bouwde er twee stuwmeren en meerdere fabrieksgebouwen en je ziet er nu ontelbaar veel pylonen.

Hekla in de wolken

Bij de route terug naar de kust passeren we van op afstand de 1500 meter hoge Hekla vulkaan. De top kunnen we jammer genoeg niet zien want deze ligt in de wolken. Dit is de meest actieve vulkaan van IJsland die de laatste 1000 jaar al zeker 20 keer uitgebarsten is. Daarbij werd de gehele omgeving verwoest door dikke lagen tephra, zowel zwarte als lichter gekleurde. Hierop groeit werkelijk niets.
Hier eindigt het relaas van onze IJslandreis 2017.

Wij verbleven in IJsland van 24 juni tot 17 juli 2017.
We vlogen met Icelandair van Zaventem naar Keflavik. Onze logies regelden wij via “Booking.com”.
Een huurauto boekten wij via ‘Brussels Airlines’ (met extra Axa verzekering). Wij reden 4900 km met onze rode Toyota Yaris van Sixt.
Als kaarten gebruikten wij de Iceland Road map van freytag&berndt (1/400 000), maar wij maakten ook zeer veel gebruik van ‘Google Maps / offline’ en ‘OsmAnd Maps’. Op onze wandel GPS installeerden wij de openfietsmap van IJsland.
Informatie vonden wij in de klassieke reisgidsen, brochures van reisagentschappen, de talrijke reisverslagen op internet en de vele websites en blogs over Iceland. Zeer inspirerend en behulpzaam was ook het boek: Crossbill Guides Iceland 2014 van Dirk Hilbers, KNNV, “ISBN: 978 94 91648 03 8”

Fotoalbum ‘Nog 3 dagen in Zuidwest-IJsland’ weergeven

Advertenties

De Golden Circle

Fotoalbum ‘De Golden Circle’ weergeven

Nadat we in de voormiddag nog een laatste korte wandeling aan Myvatn gemaakt hebben, zijn we naar het zuiden doorgereisd. Tijdens de hele rit, zo’n een 420 km tot Borgarnes, hingen de wolken erg laag, eerst viel er eerst wat motregen, later werden dat stevige buien met flinke windstoten. Jammer, want daardoor mist het indrukwekkende landschap zijn glans; alles ziet er min of meer grauw – grijs uit. We kunnen alleen maar hopen dat het de volgende dagen beter wordt.

IJslanders

De laatste dagen van ons verblijf in IJsland gaan we het zuiden en zuidwesten verkennen. De toeristische attracties: Þingvellir, Geysir en Gullfoss, die hier in de buurt liggen, worden door de meeste toeristen veelal net na hun aankomst bezocht. Ze vormen samen de Golden Circle, een dagtour vanuit Reykjavik, die uitgegroeid is tot de ‘must see’ van IJsland. Echt iedereen bezoekt deze plekken, zowel zij die een stopover in Reykjavik hebben, als bij een korte trip of een uitgebreide rondreis. Het is hier dan ook veel drukker dan wat we tot nu toe gewend waren.

Þingvellir

De eerste site die we aandoen is Þingvellir, een nationaal park dat in twee opzichten interessant is: enerzijds geologisch, anderzijds historisch.
Þingvellir is een 6 km brede en 40 km lange verzakking, met aan de oost- en westzijde diepe kloven en scheuren en in het zuiden een groot meer: Þingvallavatn. We bevinden ons hier op de Midden-Atlantische rug, waar de Euraziatische en de Noord-Amerikaanse plaat langzaam (2 tot 2,5 cm per jaar) uit elkaar drijven. De verzakking, het meer en de diepe kloven zijn daar een gevolg van. In het noorden van het park kan je door een enorme kloof wandelen met aan beide zijden een wand van gestold lava, de Almannagjá kloof (alle-mensen-kloof). Deze plek wordt gepromoot als hét enig gebied ter wereld waar het mogelijk is rond te lopen op een plek die tot geen van de twee continenten behoort. Dicht bij het bezoekerscentrum is het dan ook zeer druk want het is een komen een gaan van vele bussen.
Daarnaast is Þingvellir (Parlementsvlakte) voor de IJslanders een belangrijke historisch plaats. Het is hier, voor een grote rots, dat het oudste parlementaire systeem, Alþingi, werd opgericht en jaarlijks vergaderde. Terwijl de rest van Europa nog leefde onder het juk van feodale heersers kwamen hier vanaf 930 tot 1262 de clanhoofden jaarlijks samen voor een volksvergadering. Gedurende twee weken werden tijdens die bijeenkomsten nieuwe wetten gestemd, geschillen opgelost en recht gesproken. Deze Alþingi verloor in de 12e eeuw aan invloed, maar bleef tot in 1800 bestaan als juridische instantie.

Þingvellir

Men had voor deze plek gekozen wegens de goede akoestiek van de rotswand, maar ook omdat ze vrij gemakkelijk te bereiken was vanuit het hele land. Op de grote vlakte was er genoeg plaats voor iedereen. Want naast de volksvergadering kwamen heel veel gewone burgers van IJsland elk jaar naar Þingvellir, tot wel 60.000. Het was in feite een twee weken durende jaarmarkt waar er werd gehandeld, gefeest, gesport, getrouwd en veroordeelden werden er terechtgesteld. Nu snappen we dat die IJslanders zo graag rondrijden met een caravan of plooicaravan, die kamperen al meer dan 1 000 jaar!
Nog steeds is deze plek erg populair bij de IJslanders om er belangrijke historische gebeurtenissen te vieren. Zo werd hier in 1944 de IJslandse onafhankelijkheid uitgeroepen, in 1974 het 1100-jarig jubileum van IJslands kolonisatie gevierd, en in 2000 werd hier 1000 jaar christendom op het eiland herdacht.
De meeste bezoekers blijven in de buurt van het bezoekerscentrum en beperken zich tot een korte wandeling door de kloof tot aan de rots Lögberg, waar de wetten werden voorgelezen. Na de wandelingen van vorige weken, waar we nauwelijks iemand tegen kwamen, is dit wel even anders. Hier is het echt in stoet lopen. Maar even verderop zijn we weer zo goed als alleen. Er zijn enkele mooie wandelroutes die over de graslanden, door bemoste lavavelden en langs beekjes en kloven lopen.

Geysir

Vanaf Þingvellir is het maar een klein stukje rijden naar het geothermisch zeer actief gebied Haukadalur. Hier liggen meerdere hete bronnen, maar de geisers Geysir en Strokkur zijn de meest bekende. Iedereen komt natuurlijk af op de Geysir, die zijn naam gegeven heeft aan alle geisers ter wereld. Helaas is deze al enkele jaren niet meer actief. Gelukkig ligt enkele meters verder de kleinere Strokkur die wel nog om de 4 tot 10 minuten heet water omhoog spuit, soms tot wel 20 meter of hoger.

Strokkur

Geisers zijn een vrij zeldzaam fenomeen waarbij een onderaardse holte vol water loopt. Het water wordt dan verwarmd door de aardwarmte van het omliggende gesteente dat in contact staat met het magma. Hierdoor gaat het water in de holte koken en stoom vormen. Daardoor neemt de druk toe en komt het tot een uitbarsting. Hierbij spuit een mengsel van heet water en stoom de lucht in.

Strokkur

Een geiser is een tijdelijk geologische verschijnsel, de werking duurt maximaal een 1000 jaar, maar kan ook tussentijds stoppen (meestal na een aardverschuiving of beving). Zo spoot de Geysir zijn water in 1845 nog 170 meter hoog en een paar jaar later nog slechts 50 meter. Na een periode van inactiviteit werd de geiser na een aardbeving in 1896 weer actief. Maar zowel de frequentie als de hoogte van de waterstraal nam in de daaropvolgende jaren af. Ongeduldige bezoekers wiepen dan maar stenen en zeep in de opening om zo een uitbarsting te forceren. Of het komt door die beschadigingen, of door een verandering in de onderaardse waterstromen is niet duidelijk, maar na een heropleving rond 2000 is sinds 2003 nog slechts uiterst zelden activiteit waar te nemen.
Op andere plaatsen heeft men in het verleden verschillende kleinere geisers verwoest door in de onmiddellijke omgeving boringen uit te voeren om geothermische energie te winnen.

Strokkur

De Strokkur ligt tussen borrelende modderpoeltjes en allerlei gaten en spleten waar stoom uit komt. De directe omgeving is afgezet met linten en er staan enkele waarschuwingsborden, want als er een plotse windstoot opsteekt zou je wel eens een hete douche kunnen krijgen. Achter de linten staan busladingen toeristen klaar met hun camera’s om een uitbarsting vast te leggen. Natuurlijk staan wij er ook. We wachten allemaal op het moment dat het water van een vlakke plas opborrelt tot een grote blauwe bel die dan openbarst en water en stoom de lucht in blaast. Onmiddellijk daarna kan je aan de gezichten van de omstaanders zien of het hen gelukt is het moment van de uitbarsting vast te leggen of net niet. Want je zal zien, net op het moment dat de aandacht wat verslapt is er een eruptie. Het meest grappig zijn zij, die de halve wereld hebben afgereisd om een selfie te maken samen met de geiser. Ze staan dan met de rug naar wat komen gaat. Veelal moeten ze dan de foto’s bij iemand anders gaan bekijken om te zien wat er eigenlijk gebeurt is! Wij kunnen rustig de tijd nemen om enkele erupties te volgen. Dat in tegenstelling tot de deelnemers aan een ‘golden circle tour’, die na een kwartiertje al weer verder moeten naar de volgende attractie.

Gullfoss

Gullfoss

Net 10 kilometer verder op de route ligt dan ook de populairste waterval van IJsland: de Gullfoss. Het water dat door de Hvítá (=witte rivier) wordt aangevoerd komt van bij het meer Hvítárvatn aan de voet van de gletsjer Langjökull. Dat water is wat bruinachtig van kleur want het voert veel slib en puin mee. Met een oorverdovend lawaai stort het kolkende water eerst zo’n 10 meter naar beneden en vlak daarna nog 20 meter, waarna het door een smalle kloof verder stroomt. Het heftig neerstortende water zorgt meestal voor een grote hoeveelheid stuifwater. Als de zon daarop schijnt, verschijnt er erg vaak een regenboog en krijgt het water een goudachtige gloed.
Wij hebben geluk! Net als wij er zijn, komt de zon even piepen en is een regenboog te zien boven het opspattend water: erg fotogeniek.

IJslanders

Net als in het noorden van IJsland staan ook hier veel paarden in de weiden. Ze werden meer dan 1100 jaar geleden door de Vikingen meegebracht uit de noordelijke streken van Europa. Daar enkel de dieren die gehard waren tegen de extreme omstandigheden konden overleven werd al in 982 door het Alþing besloten dat er geen nieuwe paarden meer IJsland binnen mochten. Zo is er een bijzonder paardenras ontstaan: de IJslander.

IJslanders

IJslandse paarden, die voorkomen in wel meer dan 80 kleurenvariaties, zijn vrij klein, tussen de 1,30 en 1,45 meter en hebben een ijzersterk gestel. Ze zijn totaal niet schuw, gemakkelijk in omgang, werklustig en dus goed te bereiden. Het meest opvallende is dat de IJslander, net als ieder paard, kan stappen, draven en galopperen, maar daarnaast nog twee extra ‘versnellingen’ heeft: de tölt en de telgang. Een deel van de paarden worden dan ook gefokt om te berijden, daarbij worden ze vaak uitgevoerd naar de rest van de wereld.
Nog steeds geldt het strikte invoerverbod voor paarden. Zo mag een IJslands paard dat bijvoorbeeld naar een kampioenschap in het buitenland is gereisd niet meer terug. Men probeert zo de populatie raszuiver te houden.

Fotoalbum ‘De Golden Circle’ weergeven

Dettifoss, Ásbyrgi, Rauðinúpur,…

Fotoalbum ‘Dettifoss, Ásbyrgi, Rauðinúpur,…’ weergeven

Onze B&B in Reykjahlíð aan Mývatn is goed gelegen voor een uitstap naar het uiterste noorden van IJsland. Daar kan men vrij dicht bij de poolcirkel geraken. Slechts een handvol toeristen doen dat. De meesten volgen de ringweg die veel zuidelijker loopt en nemen enkel de afslag richting Dettifoss-waterval.

Dettifoss

Wat waterverplaatsing betreft, is Dettifoss, de krachtigste waterval van Europa. De enorme hoeveelheden water zijn afkomstig van de Vatnajökull gletsjer die het hele zuidoosten van het land bedekt en de grootste gletsjer van Europa is. De kracht waarmee het water over een breedte van 100 m, 44 m naar beneden stort is indrukwekkend. Het beste uitzicht over de waterval, de rivier Jökulsá á Fjöllum (=gletsjerrivier uit de bergen) en op de omgeving heb je vanaf een uitzicht platform wat verder stroomafwaarts. Om er te geraken moet je wel de wolken van sproeiwater trotseren. Geen probleem, want onze waterdichte jas hebben we altijd aan en de regenponcho’s hebben we sowieso in onze rugzak. De echte fans van watervallen kunnen 1 km stroomopwaarts ook nog een kijkje gaan nemen aan de Selfoss-waterval.

Vanaf de watervallen loopt, ten westen van de rivier, een gravelbaan naar Ásbyrgi in het noorden. Tot 2011 was dit een F-weg (enkel 4×4-voertuigen toegelaten), maar nu mogen er alle auto’s passeren. Niet dat de weg nu in goede staat is, we schudden over een afstand van 30 km aan één stuk door. Het gaat van de ene diepe put naar de andere. Het is echt wel de slechtste route die we tot nu toe gereden hebben. En dan mogen we nog van geluk spreken want na hevige regen wordt de weg afgesloten.

Hljóðaklettar

Maar de beloning is groot, de rondwandeling door het Hljóðaklettar gebied (= echo-rotsen) is een van de mooiste in IJsland. De Jökulsá á Fjöllum, stroomt woest tussen de geërodeerde kraters en spectaculaire basaltformaties. Ze ontstonden miljoenen jaren geleden door vulkaanuitbarstingen.

Hljóðaklettar

Hljóðaklettar

Basalt ontstaat als lava aan de oppervlakte stolt. Het homogene, fijnkorrelige basaltgesteente gaat daarna afkoelen, krimpen en breken. Dat proces verloopt op een zeer regelmatig wijze waardoor er zeskantige zuilen ontstaan. Bij de wandeling loopt het pad over de rotsen van de Hljóðaklettar, langs basaltrozetten (die ontstaan zijn doordat de lava in verschillende richtingen stroomde) en langs grotten. Ook zijn er basaltlagen die gekanteld zijn door de gigantische krachten van de onrustige aardbodem. Sommige pilaren in combinatie met rotsformaties lijken wel op verweerde burchten. Ze zijn omgeven door een uitbundige flora. Het pad slingert verder door laag struikgewas naar Rauðhólar (= rode heuvel), het overblijfsel van een grote krater, waar de machtige gletsjerrivier zich doorheen gewrongen heeft. Naargelang de zon erop schijnt of niet, verandert de kleur van de tefra (as en gruis), van fel rood naar diep donkerrood.

Ásbyrgi heeft naast een tankstation, een winkel en een golfterrein ook een 3,5 kilometer lange hoefijzervormige ravijn die omgeven is door zeker wel 100 meter hoge kliffen. Volgens de IJslanders is deze ravijn een hoefafdruk van de achtbenige hengst Sleipnir. Dit was het paard van Odin, een god uit de Noorse Mythologie.
De werkelijkheid is net iets anders! Ásbyrgi is ontstaan als gevolg van een verwoestende overstroming na de uitbarsting van de vulkaan onder de Vatnajökull ijskap duizenden jaren geleden.

Kjarr = natuurlijk berkenbos

Op het einde van de kloof loopt er een korte wandeling door een berkenbos. Vroeger, voor de komst van de Vikingen in de vroege middeleeuwen, kwam dit soort bos vrij veel voor op IJsland. Ze zijn bijna volledig verdwenen als gevolg van de houtkap. Men gebruikte het hout voor het bouwen van huizen en schepen en als brandhout. Daarnaast hebben ook vulkaanuitbarstingen en overstromingen stukken bos verwoest. De berkenbossen zoals deze bestaan uit zachte berken die worden afgewisseld met lijsterbes en wilgen. In de onderbegroeiing vallen onder andere gewone engelwortel, bosooievaarsbek en scherpe boterbloem op.

Bij onze 2de uitstap rijden wij voorbij Ásbyrgi over het schiereiland Melrakkaslétta tot in Rauðinúpur. De naam Melrakkaslétta verwijst naar poolvos en vlakte. Het is een vlak en kaal gebied met vele kleine meertjes en poelen van kristalhelder water. Daartussen liggen met stenen en keien bedekte velden, en enkele oude kraters. De begroeiing is erg speciaal en bestaat uit toendra. Er komen dus geen bomen voor, enkel grassen, wat kruiden, heel veel mossen en dwergstruiken. Soms zijn er ook plekken met veen.

Toendra

Het klimaat is hier erg ongunstig voor de groei van hogere planten. De gemiddelde temperatuur in de zomer ligt rond de 10°C en in de winter onder de 3°C. De bodem is gedurende minstens zes maanden bevroren of met sneeuw bedekt en in de winter komt de zon nauwelijks op. Het groei seizoen voor de planten is daardoor zeer kort. Vaak is de bodem moerassig want het water kan niet wegsijpelen in de bevroren onderlaag. Ook verdampt er nauwelijks water. Enkel kleine planten die dicht op elkaar of zo plat mogelijk tegen de bodem groeien kunnen overleven in deze barre omstandigheden. Door de slechte bodem en de lage temperaturen is er op de toendra nauwelijks landbouw mogelijk.
Er wonen hier erg weinig mensen, de bevolkingsdichtheid behoort tot de laagste in Europa. De kleine dorpjes hebben weinig te bieden en de boerderijen zijn te klein om rendabel te zijn. De jeugd trekt weg uit deze uithoek.

Jan-van-gent (Morus bassanus)

Wij zijn op weg naar de jan-van-genten kolonie in Rauðinupur. Onderweg kijken we uit naar zowat alles, maar zeker ook naar poolvossen en velduilen.

Velduil (Asio flammeus)

Velduilen zijn dag-actief en houden van open terrein, met een voorkeur voor moerassige gebieden en venen. Al vanaf dag 1 hebben wij zitten uitkijken of er nergens eentje op de grond of op een van de schaarse weidepaaltjes zit te rusten. Nu wordt onze moeite beloond! Er zit er eentje op de grond, gewoon naast de weg. Buitengewoon prachtig! Het lukt zelfs om hem te fotograferen! Jammer dat hij zo snel opvliegt. De velduil is een vrij grote vogel (spanwijdte ongeveer 1 m) die zijn nest heeft op de grond, tussen lage vegetatie.
De weg loopt verder langs de kust met vele inhammen, baaitjes en kleine lagunen.

Núpskatla / Rauðinúpur

Núpskatla / Rauðinúpur

We hobbelen verder door de toendra tot aan de verlaten boerderij van Núpskatla. De vogelrots is het noordwestelijke punt van het schiereiland. Eerst moeten wij voorbij een lagune. We lopen over een dam van rolkeien in alle formaten. Dan nog even omhoog om boven op de klif te komen. Maar het is de moeite! Vlak bij de vuurtoren hebben we zicht op twee vogelrotsen in zee, die bomvol vogels zitten. Onderaan de zeekoeten, iets hoger de meeuwen en de alken en bovenop de jan-van-genten. Net voor ons op de klif groepjes papegaaiduikers. Daar de zon zich weer even laat zien, blijven we hier een tijdje rondhangen. Ook het grasland is boeiend met o.a. witte muggenorchis (Pseudorchis albida subsp. Straminea), koraalwortel (Corallorhiza trifida) en groene nachtorchis (Coeloglossum viride subsp. Islandicum)

Jan-van-gent (Morus bassanus)

Papegaaiduiker (Fratercula arctica)

Eén keer de hobbelpiste langs de watervallen volstaat. Dan maar de veel langere weg om via Húsavík. Húsavík betekent huizenbaai, en is een van de oudste nederzettingen op IJsland. Het kleine stadje is sinds enkele jaren het vertrekpunt van de boottochten die walvissen trachten te spotten in de Skjálfandi baai. Ook vanaf de weg moet het mogelijk zijn om walvissen te zien. Zeker op momenten dat het wateroppervlak spiegelglad is. Helaas geen succes, niet voor ons maar ook niet voor de deelnemers aan de ‘walvissafari’s’.

Alaska-Lupine (Lupinus nootkatensis)

Terug naar het binnenland rijden we door een woestijn-/zandvlakte die plots intens blauw-paars kleurt. Het zijn uitgestrekte velden met Alaska lupine, die op dit moment zeer uitbundig bloeit. Of hoe een verwilderde exoot op korte tijd een landschap echt kan gaan domineren.

Fotoalbum ‘Dettifoss, Ásbyrgi, Rauðinúpur,…’ weergeven

Rond het Mývatn meer

Fotoalbum ‘Rond het Mývatn meer’ weergeven

Watersnip (Gallinago gallinago)

Naar IJsland kom je natuurlijk om de prachtige natuur te bekijken! Maar helaas, dat lukt niet alle dagen even goed. Vaak is ‘regen’ de grote spelbederver. We zijn dan ook erg blij dat we hier enkele ‘reserve’-dagen hebben ingebouwd. Daardoor hoeven we niet door de striemende regen vulkanen op te klauteren of in de mist naar een nauwelijks zichtbare waterval te gaan kijken. Wij slapen dan maar wat uit, verorberen een uitgebreid ontbijt, nemen een langere middagpauze, doen wat administratie (verslagen en foto’s) of nemen een heerlijke siësta. Het weer is echt wel wisselvallig, maar meestal wordt het na een paar uur toch weer beter. Zelfs in de late namiddag kan je nog op pad gaan, want hoe laat ook, je bent hier altijd voor het donker thuis!

Laxa rivier

Onze logies liggen vlak bij Mývatn, het meer dat zo’n 2300 jaar geleden ontstaan is door vulkanische activiteiten in de omgeving. Een rit rond het meer is dan ook echt iets voor ons als liefhebbers van zowel vogels als vulkanen.

IJslandse brilduiker (Bucephala islandica)

Smient (Anas penelope)

Tijdens de late lente en in de vroege zomer is Mývatn een van de beste plekken in Noord-Europa om wilde eenden te zien. Het is niet mogelijk om overal dicht bij het meer te komen. Sommige oevers zijn in privé bezit, op andere plaatsen staan er verbodstekens om wandelaars en wildkampeerders weg te houden. (Mývatn is sinds 1974 een beschermd natuurgebied.) Maar gelukkig zijn er nog voldoende leuke spots over.
Erg boeiend is een wandeling langs de oever van de Laxá (= zalm) rivier, die het overtollige water uit het meer naar zee afvoert. Volgens de toeristische info zouden hier de grootste zalmen van IJsland zwemmen. In het snel stromende water zagen we geen zalmen maar wel IJslandse brilduikers: zwart-witte eendjes met een sikkelvormige witte vlek tussen het oog en de snavel, en enkele wijfjes harlekijneend. Ongelooflijk hoe zij, maar ook hun jongen, nauwelijks groter dan een tennisbal, erg behendig tegen de sterke stoom in zwemmen. Mooi om te zien!

Pseudo kraters

Aan de zuidwestzijde van Mývatn bij Skútustadir liggen pseudokraters. Dit zijn kleine kraters, meestal zo’n 10 tot 40 meter hoog die steeds in groepen bij elkaar liggen. Ze zien er uit als echte kraters, maar ze zijn het niet; ze zijn niet verbonden met een magmakamer. Een pseudokrater ontstaat wanneer vulkanisch as of lava een meertje of moeras bedekt. Het ingesloten water wordt door de hitte omgezet in stoom en die zoekt een uitweg. Is de druk voldoende groot dan vindt er een ontploffing plaats die dan een kleine krater achterlaat. Een wandeling langs de kraters en de kleine meertjes is erg aangenaam. We zien er onder andere zeer veel grauwe franjepoten, kuifduikers, ijseenden, smienten, ijsduikers, wilde zwanen,…

Giervalk (Falco rusticolus)

Smelleken (Falco columbarius)

Rond Mývatn liggen naast lavavelden ook uitgestrekte grasvelden. Deze biotopen zijn natuurlijk erg aantrekkelijk voor allerhande vogels. Zo zagen wij op de weg naar het gehucht Grænavatn een giervalk die aangevallen werd een smelleken. Het zijn alle twee valken, die in Europa enkel hier en in het noorden van Scandinavië voorkomen. Het smelleken, een kleine versie van de slechtvalk, is met zijn spanwijdte van ca. 50 cm, de kleinste roofvogel van Europa. Klein maar dapper, want ook grotere vogels worden aangevallen als ze in zijn territorium komen. De giervalk is ongeveer zo groot als een buizerd (spanwijdte: 110 à 130 cm) en is de grootste onder de valken. Giervalken hebben open terrein nodig om te jagen en rotsen om op te broeden terwijl het smelleken liefst leeft en jaagt in open gebieden zoals weilanden: beter als hier kunnen ze dus nauwelijks vinden.

Kálfaströnd

Pseudorchis albida subsp. straminea

Nog een uitstekende mogelijkheid om vogels te kijken hebben we tijdens een wandeling op het schiereiland van de Kálfaströnd boerderij. Het gebied is ontstaan na een spleeteruptie, die ongeveer 100 jaar voor Christus plaatsvond. Het meest opvallend zijn mooi gekleurde en grillig gevormde pilaren van lava, die zowel op het land als in het water staan. Het landschap is echt wel schilderachtig. Ook de plantengroei is erg uitbundig. In het algemeen is het aantal plantensoorten in IJsland is niet echt groot (ca. 400 soorten), wel komen enkele voor ons zeldzame soorten hier vaak in enorme aantallen voor. Voorbeelden daarvan zijn: het Engels gras, de gelobde maanvaren, het hondsviooltje, parnassia, de sneeuw gentiaan en de vele orchideeën (Dactylorhiza maculata subsp. Maculata = gevlekte orchis, Coeloglossum viride subsp. Islandicum = groene nachtorchis, Platanthera hyberborea = noordse nachtorchis, Pseudorchis albida subsp. Straminea = witte muggenorchis). Op sommige momenten deed het geheel ons sterk denken aan fraaie alpenalmen. Ook hebben we er enkele schitterende vogel waarnemingen: zo lagen er op een van de kleinere plassen wel 50 IJslandse brilduikers.

Kuifduiker (Podiceps auritus)

Het daarnaast gelegen domein, Höfði, is in privaat bezit, maar vrij toegankelijk. De eigenaars, hebben er een dennenbos aangeplant, een zeldzaamheid in IJsland. Ze hoopten daardoor verlost te zijn van de dichte muggenzwermen bij hun woning. Er zwermen inderdaad minder muggen in het bos, maar eens in de buurt van het water zijn ze er weer volop. Daar hun huis vlak bij het water ligt, vrezen we ervoor dat al die moeite en kosten niet echt het gewenste resultaat hebben opgeleverd. Hier hoorden en zagen wij de IJslandse winterkoning (Troglodytes troglodytes islandicus) en de barmsijs (Acanthis flammea)

Dimmuborgir

Parnassia (Parnassia palustris)

Zo’n 5 km noordelijker ligt het lavaveld van Dimmuborgir (=duistere burchten). De grote grillige vulkanische rotsformaties zijn ongeveer 3000 jaar geleden ontstaan. De afgekoelde lava lag op een zachte onderlaag: een moeras of een meer. Nadat het water verdampte of wegvloeide stortte het lavadek in. De wandeling loopt tussen de rotsformaties die met wat fantasie lijken op oude en vervallen kastelen en kerken. Men houdt het geheel graag een beetje mysterieus door erop te wijzen dat men zou kunnen verdwalen tussen de rotsen. Daarenboven zouden, volgens de IJslandse mythologie, hier gewelddadige trollen leven. Gelukkig komen die enkel tijdens lange donkere nachten naar buiten om kattenkwaad uit te halen. Dus daarvoor hoeven de bezoekers in de zomermaanden niet echt schrik te hebben.
Trollen zagen wij dus niet; wel vloog ook hier een giervalk.
De omgeving van Dimmuborgir is een populaire toeristische attractie, zeker sinds makers van ‘Game of Thrones’ verschillende scenes gefilmd hebben tussen de vulkanische rotszuilen. (Er bestaat een echte ‘Game of Thrones’-trip die alle opnamelocaties in Europa en dus ook in IJsland aandoet.)

Hverfjall

De Hverfell is een enorme kegelvulkaan, die ongeveer 2500 jaar geleden, in één of maximaal enkele dagen is ontstaan. Hij is uniek is in zijn soort! Het gebied vormde het zuidelijke deel van een vulkanische kloof. Het vloeibare magma kwam in aanraking met grondwater en stolde waardoor de gassen niet meer weg konden. Dit leidde tot een enorme explosie waarbij het meegekomen magma tot kleine deeltjes (lapilli) en as werd verpulverd. De hele kegel is opgebouwd uit tefra: as en lapilli. Dit materiaal wat lijkt op fijn grind is erg licht en waterdoorlatend. Het moet een serieuze uitbarsting geweest zijn, want de vulkaan is 312 meter hoog en de diameter van krater is 1 km. Er loopt een pad over de kraterrand. Vanaf de rand zie je in het midden van de krater een kleine asheuvel. De wandeling over de smalle kraterrand levert erg fraaie vergezichten over Mývatn en omgeving.
En … weeral een plek van de Game of Thrones tour.

Fotoalbum ‘Rond het Mývatn meer’ weergeven

De Vulkanische hotzones rond Mývatn

Fotoalbum ‘De Vulkanische hotzones rond Mývatn’ weergeven

Het 36,5 km² grote Mývatn (= muggenmeer) ligt in het noordoosten van IJsland, in een actief vulkanisch gebied. Errond liggen verschillende kraters die het meer als het ware insluiten. Het ondiepe meer (maximaal 4,5 meter) is dan ook ontstaan na vulkaanuitbarstingen. Het heldere water komt vooral uit geothermische bronnen waardoor het meer in de winter nooit helemaal bevriest. In de warme en vochtige omgeving leven vele muggenlarven. Bijgevolg zijn er op sommige momenten ontzettend veel muggen. Op windstille dagen kunnen deze muggen, hoewel ze niet steken of bijten, erg irritant zijn. De naam Mývatn zegt het al, tenminste als je wat IJslands begrijpt.

Mývatn meer

De larven zijn erg belangrijk voor het ecosysteem van Mývatn: vissen en vogels zijn er dol op. Vooral in het broedseizoen zijn op en rond het meer vele vogels te zien zoals o.a.: krakeend, kuifeend, toppereend, smient, IJslandse brilduiker, middelste Zaagbek,.ijseend, zwarte zee-eend, kuifduikers, grauwe franjepoot,…

IJslandse brilduiker (Bucephala islandica)

De volgende acht dagen verblijven we in een vrij recente B&B, welke deel uitmaakt van een camping, in het dorpje Reykjahlíð aan de noordoostzijde van het meer. Al van in de veertiende eeuw had de familie Reykjahlið het hele gebied in bezit. Ooit was de boerderij de grootste van IJsland. Daarnaast werd er op hun land zwavel gedolven; de basis voor buskruit. De boerderij is nog altijd in bedrijf maar de eigenaars hebben ook geïnvesteerd in het toerisme met gastenkamers en een hotel. Nu is dit dorpje uitgegroeid tot zowat het toeristisch centrum van Mývatn.

Stóragjá

Ten oosten van het meer ligt een gebied dat nog steeds vulkanisch erg actief is, met o.a. de Krafla vulkaan. De aardkorst is hier constant in beweging, zowel horizontaal als verticaal. Wij bevinden ons hier in de zone, (die trouwens van noord naar zuid over heel IJsland loopt) waar de Euraziatische en de Noord-Amerikaanse plaat jaarlijks millimeter-gewijs uit elkaar schuiven. Niet ver van het enige kruispunt in Reykjahlíð, kan je gewoon door een kloof wandelen tussen de twee continenten.

Op aarde zijn geen twee vulkanen hetzelfde, toch gaat men ze, gebaseerd op hun vorm, indelen in groepen. In de buurt van het meer van Mývatn liggen enkele types in elkaars buurt.

Leirhnjúkur

Zo is de Krafla een voorbeeld van een spleetvulkaan. De laatste uitbarstingen waren tussen 1975 en 1984. Tijdens deze erupties ontstond er een spleet van ongeveer 7,5 kilometer. Dit type valt in het landschap niet echt op omdat ze vrij vlak zijn. Er is geen ronde krater, maar een lijnvormige opening waaruit de lava, gewoonlijk zonder enige explosieve activiteit, vloeit. Enkel in IJsland komen spleetvulkanen op land voor. Alle anderen liggen onder water bij zogenaamde oceaanruggen.
Ten zuidwesten van de vulkaan Krafla ligt de geothermische centrale met dezelfde naam. Ze werd tussen 1975 en 1977 gebouwd en is tot nu toe steeds ontsnapt aan de gevolgen van de uitbarstingen en bevingen. Het geheel doet een beetje futuristisch aan met al die buizen en de iglo-achtige gebouwtjes.

Warme douche

Op een van die buizen heeft men aan de rand van een lavaveld de ‘eenzame’ douche gemonteerd. Ze sproeit continu water dat, zoals bijna al het warme water hier, een indringende zwavelgeur heeft.

Leirhnjúkur

Het Leirhnjúkur gebied, een grote vlakte die tijdens de uitbarsting van 1984 overspoeld werd met nieuwe lava, ligt even voorbij de centrale.
Er loopt een wandelpad door. Eerst wandel je door een zone van met mos bedekte lava van een uitbarsting in de 18de eeuw. Verderop zie je duidelijk de verschillende recentere lavastromen die nog niet begroeid zijn. Daarna passeer je een solfatarenveld met borrelende modderputten en stoompluimen. Dan gaat het verder over de meest recente lava. Het is een vreemd gevoel om op en tussen lava te lopen die, zelfs 33 jaar na de uitbarsting, nog steeds warm is. De kleurverschillen worden veroorzaakt door de verschillende mineralen die in de lava zitten.

Iets verder, aan het eind van de weg ligt de Víti-krater, een met water gevulde explosiekrater uit 1724. Víti heeft een doorsnede van ongeveer 300 meter, en een steile helling die opgebouwd is uit een kleiachtige goedje. Daar het gisteren fel geregend heeft, blijft die blubber aan onze schoenen plakken en moeten we tijdens de beklimming uitkijken om niet uit te glijden. Eens boven kan je over de kraterrand wandelen en zie je in het midden het babyblauwe water. De kleur wordt veroorzaakt door een ongevaarlijk, in warm water goed gedijend blauwwier uit de groep van de Cyanobacteria. Niet te verwarren met cyaankali, het snelwerkend gift. Dit water is totaal niet giftig, alleen bloedheet.

Viti krater

Vlak tegen de ringweg, onderaan de Námafjall berg ligt Hverir (=hete bronnen), het grootste solfatarenveld van IJsland. In een actief vulkanisch gebied zoals hier, kan regenwater gemakkelijk insijpelen tussen het poreuze gesteente. Daarbij lost het water allerlei mineralen op. Als dan de magmakamer vrij dicht bij de oppervlakte ligt (hier op ca 3000 m) is de ondergrond ook warm. Op een diepte van 1000 meter meet men 200°C. De thermische activiteit ontstaat doordat het water gaat koken en de stoom die hierbij ontstaat komt via breuken en spleten weer naar de oppervlakte. Openingen waar de hete gassen ontsnappen, worden fumarolen genoemd. Zit er zwavel bij dan zijn het solfataren.

Hverir

De omgeving van deze hete bronnen is schitterend gekleurd. De kleurschakeringen worden veroorzaakt door de chemische reacties tussen de bodem en de gassen die zich erdoor moeten persen om aan het oppervlak te geraken. Op verschillende plekken komt stoom met een doordringende zwavelgeur uit de grond met daarrond geel-groene neerslag. Op de helling ligt de helgele zwavel die hier tot 1940 gewoon werd opgeschept. De kokende modderpoelen, die door pyriet en klei een blauw-grijze kleur hebben, blubberen en pruttelen met soms zelfs een modderfonteintje. Een aparte ervaring om zo tussen de kokende modder en stoompluimen te wandelen. Hoewel men de gevaarlijke plekken met touwtjes heeft afgezet toch moet je blijven opletten om niet in het kokende water te trappen.

Krafla centrale

In IJsland maakt men dankbaar gebruik van de warme ondergrond om elektriciteit op te wekken. In de centrale van Krafla (en zo zijn er nog een aantal gelijkaardige in IJsland) pompt men via 33 boorputten gloeiendheet (200 tot 250 °C) mineraal houdend water op van op twee kilometer onder de oppervlakte. Hiermee worden dan stoomturbines aangedreven.

Hetzelfde deed men in de centrale van Svartsengi in het zuidwesten van IJsland (45 km van Reykjavík). Het restwater, nog zeventig graden warm, liet men over er een lavaveld lopen. Het lag in de bedoeling dat dat water vanzelf in de poreuze ondergrond zou verdwijnen. Een dikke laag ondoordringbaar lava verhinderde dat echter, waardoor min of meer per ongeluk een meertje kon ontstaan. Toen in 1981, een medewerker van deze Svartsengi centrale, uit nieuwsgierigheid een bad nam in dit meer, merkt hij op dat zijn psoriasisplekken begonnen te verdwijnen en dat zijn huid minder jeukte. Wat goed is voor de psoriasis-patiënten, moet ook goed zijn voor de gewone zwemmers, dacht men! Dus heeft men 1991 een eerst natuurlijk zwembad ‘de blue lagoon’ geopend gevuld met restwater van de centrale.

Ook in de buurt van de Krafla centrale heeft men in 2004 een ‘natuurlijk bad’ geopend; de ‘Myvatn Nature Baths’. Natuurlijk is ook hier het water babyblauw. Het water dat rechtstreeks uit een boorput komt heeft bij het oppompen een temperatuur van 130°C. Het wordt geloosd in het enorme reservoir naast het bad. Het reservoir en het bad hebben een temperatuur die varieert tussen 34 en 39°C. De sterke zwavelgeur, die diep in de huid dringt en dagenlang blijft hangen, heeft het wel, maar het melkachtige uitzicht is wat minder doordat het slechts weinig silicaathoudende modder bevat. Het water zou ook ‘iets’ minder heilzaam zijn. Maar ook zonder die werking is het een razend populaire toeristische attractie.

Mývatn Nature Baths

Er ligt hier ook nog een klein ‘Blue Lake’ langs de ringweg. Maar omdat het water in gebruik is door de nabijgelegen geothermische centrale is baden hier verboden. Wel fotogeniek!!

Grjótagjá

Niet ver van het nieuwe bad complex is er de Grjótagjá, een kleine lavagrot gevuld met warm water. De schitterende grot is een goed bewaard geheim van de locals, die hier tot voor de vulkanische activiteit van de jaren 70 van vorige eeuw kwamen zwemmen. Jammer voor hen, want tijdens de uitbarstingen van 1975 tot 1984 steeg de watertemperatuur naar meer dan 60°C. Gelukkig is sinds kort de temperatuur weer aan het zakken, maar toch is het nog altijd te warm om erin te baden. In de grot krijgt het water een diepblauwe kleur door de weerkaatsing van het licht tegen de rotsen. Mooi… dat moeten ook de makers van de serie ‘Game of Thrones’ gedacht hebben. Het is in deze grot waar de scene is opgenomen waar ‘John Snow’ de nacht doorbrengt met zijn geliefde ‘Ygritte’. Voor de kenners: in seizoen 3 in de episode ‘Kissed by Fire’.

Fotoalbum ‘De Vulkanische hotzones rond Mývatn’ weergeven

Van de Westfjorden naar Mývatn (C ⇒ D)

Fotoalbum ‘Van de Westfjorden naar Mývatn’ weergeven

Gele papaver (Papaver radicatum)

De volgende twee dagen rijden we van de Westfjorden naar het Noorden, naar Reykjahlíð bij het meer van Mývatn . Het is een route van 600 km die we verdelen in twee etappes. Zo hebben we meer tijd om tussendoor even te stoppen en bovendien is het ook minder vermoeiend. Bij een eerste stop fotograferen we uitgebreid de Arctische klaproos of gele papaver (Papaver radicatum), een kleine, citroengele klaproos. Dit frêle plantje komt in IJsland enkel voor in het noordwesten.

Gele papaver (Papaver radicatum)

Het maakt deel uit van de arctische flora, planten die rond de poolcirkel op het noordelijke halfrond voorkomen. Het aantal soorten is niet zo groot en sommige ervan kennen we ook van bijvoorbeeld in de Alpen of bij ons in de Hoge Venen. Wat al deze planten gemeen hebben is dat ze bestand zijn tegen barre weersomstandigheden.

Hotpot

Op IJsland zijn er veel natuurlijke warmwaterbronnen te vinden, soms zomaar langs de kant van de weg. Dit komt door de vulkanische activiteit. Het magma blijft zeer lang warmte afgeven, soms wel tot duizenden jaren na een vulkaanuitbarsting. Hierdoor wordt het water in de grond en aan de oppervlakte verwarmd. Daar waar het water een aangename temperatuur heeft, maakt men er graag gebruik van om in de poeltjes te gaan badderen. Bij onze B&B in de Westfjorden lag er zo’n ‘hot pot’ aan de overkant van de straat. Net op het moment dat we tijd hadden om zelf te gaan ontspannen in het warme water, werd de hele zone omsingeld door een konvooi van wel 30 mobilhomes. Ze kwamen er allemaal een gratis warm bad nemen in de vrije natuur.

Bij onze volgende stop in Reykhólar is het hele dorp omgeven door warmwaterbronnen.
Men gebruikt het water van de geothermische bronnen niet alleen in het zwembad, maar ook om de huizen te verwarmen. Wel goedkoop, het nadeel is echter dat het water een sterke zwavelgeur heeft (rotte eieren).

Roodkeelduiker (Gavia stellata)

Reykhólar is gelegen aan de kust in een getijdezone. Daarnaast heeft men er in het verleden, in de moerassige bodem, vijvers gegraven tussen de warmwaterbronnen. Deze unieke combinatie zorgt voor een schitterende flora en een perfecte omgeving voor een rijk vogelleven. Het is een van de weinige plekken waar men zelfs een kijkhut geplaatst heeft. We hadden er zeer mooie waarnemingen van o.a. talrijke roodkeelduikers en kuifduikers, maar ook tureluur, wulp, grutto, en meerdere sneeuwhoenen met jongen. En daarbij dan goed licht; een droom voor de fotograaf in ons!

Kuifduiker (Podiceps auritus)

Ook is het verrassend om te zien hoe sommige vogels rondhuppelen in het hete, bijna kokende water en tussen de stoomwolkjes. Ook sommige planten staan te bloeien vlak bij het pruttelende water. Echt bizar!

Regenwulp (Numenius phaeopus)

Na een rustige nacht zijn we fit voor het tweede deel van de transfer.

We verlaten even de ringweg en slaan af naar het schiereiland Vatnsnes. Bij het uitzichtpunt Hvítserkur staat een rots in het water. Daarin kan men een olifant, een neushoorn of een dino herkennen, terwijl het natuurlijk een versteende trol is! De naam Hvítserkur betekent ‘wit hemd’, vanwege de witte laag uitwerpselen van o.a. de Noordse stormvogels en drieteenmeeuwen.

Gewone zeehond (Phoca vitulina)

Van op de parking kijk je uit op een uitgestrekte ‘sandur’ of spoelzandvlakte aan de overzijde van de geul. Zo een vlakte ontstaat na een vulkaanuitbarsting onder een gletsjer. De warmte die daarbij vrijkomt, zorgt ervoor dat grote hoeveelheden ijs zeer snel smelten. Dit smeltwater stroomt in een vloedgolf naar de zee, waarbij sediment achter gelaten wordt. Net op de waterrand liggen zeehonden te zonnen, niet zo maar enkele; wij tellen 125 stuks in alle maten en gewichten. Langs de IJslandse kust komt voornamelijk de gewone zeehond voor. Deze worden zo’n 2 meter lang en wegen dan rond de 120 kilo. Hun vacht varieert van grijs tot donkerbruin of zelfs zwart. Zeehonden zijn vrij honkvast wat hun rustplaats betreft. Meestal keren ze bij eb terug naar dezelfde plek, terwijl ze bij vloed gaan jagen.

Arctisch wilgenroosje (Chamaenerion latifolium)

Terug op de ringweg rijden we door een bergachtig gebied. Eerst moeten we langzaam stijgen naar ca 1100 m om dan weer terug te dalen tot zeeniveau. Al van in de tijd van de Vikingen wordt in de vlakkere delen aan landbouw gedaan. Er liggen hier uitgestrekte hooilanden, het wintervoer voor de schapen, paarden en runderen. Nu het bijna 24 uur licht blijft, wordt er flink doorgewerkt.

Behaard vetkruid (Sedum villosum)

Daar de zon van de partij is stoppen we langs de oever van de Hörgá rivier. Het snel stromend water heeft hier zand en grind afgezet en op de gestabiliseerde stukken staan er enkele typische planten voor dit biotoop, zoals o.a.; het arctisch wilgenroosje, het driekleurig viooltje, behaard vetkruid en de noordse nachtorchis (Platanthera hyberborea).

In Akureyri, voor IJslandse begrippen een grote stad met 18 000 inwoners, stoppen we om inkopen te doen voor de volgende dagen. Aan de overkant van het fjord hebben we zicht op de stad. We speuren echter het water af op zoek naar walvissen. Hoewel het windstil is en het wateroppervlak spiegelglad is, kunnen we helaas geen walvissen spotten.

Goðafoss

Dan maar op naar de Goðafoss! (= goden waterval) Deze ligt vlak naast de ringweg. Het water van de Skjálfandafljót rivier valt over een breedte van 30 meter 12 meter naar beneden en stroomt dan verder door een smalle kloof.
De naam zou verwijzen naar een plaatselijke held die er omstreeks het jaar 1 000, na zijn bekering tot het Christendom, al zijn afgodsbeelden van een oud Noors geloof in het water gooide.
Niet spectaculair groot of hoog maar gewoon mooi door zijn vorm.

Fotoalbum ‘Van de Westfjorden naar Mývatn’ weergeven

De Westfjorden met tussenstop op Flatey

Fotoalbum ‘De Westfjorden met tussenstop op Flatey’ weergeven

Flatey

Flatey

De Westfjorden, in het uiterste noordwesten van IJsland, worden door het merendeel van de toeristen niet bezocht, dit vaak wegens tijdsgebrek. Het is een vrij afgelegen, erg ruig en een nauwelijks bewoond gebied met weinig faciliteiten voor toeristen. Vanuit Stykkishólmur op het schiereiland Snæfellsnes vaart dagelijks twee maal (in de zomermaanden) de veerboot ‘Baldur’ de route naar Brjánslækur, een aanlegsteiger op de Westfjorden. De oversteek van het Breiðfjörðdur (breed fjord) duurt ca. 2,5 uur. Het leuke ervan is dat, na ca. 1,5 uur varen de boot even aanlegt bij het ‘vogeleiland’ Flatey (plat eiland). Het permanent bewoonde eiland is autovrij, maar als je met de auto de oversteek maakt, kan je in Flatey uitstappen terwijl je auto alvast verder meevaart naar Brjánslækur. Het personeel zet hem dan daar op de kade.

Om 9 uur nemen we de boot en geven de autosleutels aan het personeel van de bar. Daarna gaan we op het achterdek in de zon zitten. Het Breiðfjörðdur ligt vol met kleine eilandjes, minstens 2700. Gevoed door de discussie of men ze telt bij eb of bij vloed, stellen sommigen dat hun aantal ontelbaar is. Wij kijken voornamelijk uit of we geen walvissen kunnen spotten en observeren de vele vogels die hier rondvliegen. Op de grotere eilanden staan enkele zomerhuizen en lopen er wat schapen.
Voor vogelaars is Flatey een leuke tussenstop. Het is ongeveer twee kilometer lang en op het breedste deel 500 m breed, met slechts een kleine heuvel in het noordoosten: de Lundaberg.

Zwarte zeekoet (Cepphus grylle)

Zwarte zeekoet (Cepphus grylle)

Vanaf de aanlegsteiger gaan we niet rechtstreeks naar het dorpje met zijn ongeveer 30 fel gekleurde huizen. Wij wandelen langs de waterkant en de oude haven van het eiland. Er liggen heel veel zwarte zeekoeten in het water. Sommige zijn aan het baltsen. Zij broeden in de spleten en de holen tussen de lavabrokken.
Overal vliegen hier vogels. Met veel kabaal proberen ze ons uit de buurt van hun nest of jongen te houden: tureluur, scholekster, IJslandse grutto, noordse stern, watersnip… Wij hopen hier de rosse franjepoot te zien. Want zo algemeen als de grauwe franjepoot is, die zowat overal in de kustgebieden van IJsland voorkomt, zo zeldzaam is de rosse. Volgens onze gegevens is Flatey zowat de enige plek om deze vogel, die meer in arctische gebieden gaat broeden, te zien is. Maar helaas, hoe goed we ook onze best doen we zien enkel grauwe franjepoten.

Grauwe franjepoot (Phalaropus lobatus)

Franjepoten verblijven, buiten het broedseizoen, hoofdzakelijk zwemmend in open tropische zeeën. Ze zijn hier goed voor uitgerust want ze hebben zwemlobben aan hun tenen. Bij beide soorten zijn de mannetjes somberder gekleurd dan de vrouwtjes. Het feller gekleurde vrouwtje paart met een mannetje en laat de broedzorg aan hem over. Daarna gaat ze op zoek naar een volgend mannetje. Op deze manier zorgt een vrouwtje, ondanks de korte zomer, toch voor meerdere legsels.

Sneeuwgors (Plectrophenax nivalis) V

Maar niet getreurd er is nog van alles te zien: o.a. sneeuwgorzen, papegaaiduikers, kanoeten en paarse strandlopers. Iets ten zuiden van het dorpje staat het kerkje met daarachter de kleinste en oudste bibliotheek van IJsland. Zowel de kerk als de bibliotheek zijn nog steeds in gebruik. In de late middeleeuwen moet hier een klooster gestaan hebben. In die tijd was Flatey één van de belangrijkste culturele centra van IJsland. Hiervan zijn er echter geen overblijfselen terug te vinden. Op het pad dat voor het kerkje doorloopt wordt elke wandelaar vakkundig verjaagd door noordse sterns. Deze vogels broeden hier in de zomer maar overwinteren in Zuid-Afrika of Antarctica. Ze vliegen daarvoor jaarlijks maar liefst 30.000 kilometer.

Bij de Lundaberg (lunda = papegaaiduiker) zit een kleine kolonie papegaaiduikers. Ook zij leven het grootste deel van het jaar op zee en komen enkel aan land om te broeden. Dat doen ze in groep, op kliffen en eilanden in de koude streken op het noordelijk halfrond. Ze broeden echter niet op kale rotsen, maar graven (met hun snavel) meestal een holletje in de graszoden of gebruiken een gaatje in de grond of in de rotsen. Daar leggen ze dan één ei.

Papegaaiduiker (Fratercula arctica,

Met hun kleurrijke snavel, grappige gezichtsuitdrukking en hun schijnbaar vrij onbeholpen manier van lopen en vliegen zien papegaaiduikers er erg schattig uit. Ze zijn niet fel schuw. Als je rustig bent kan je er tamelijk dicht bij komen.

Papegaaiduiker (Fratercula arctica)

Beter dan vliegen kunnen ze duiken en vooral vissen. Ze vangen het liefst glasaaltjes. Om hun jong te voeren komen ze regelmatig aangevlogen met heel veel van die kleine visjes overdwars in hun bek. Om ze vast te houden hebben ze aan de binnenkant van hun snavel weerhaakjes zitten en met hun tong klemmen ze de visjes daar tegenaan. Superleuk, we zijn er gewoon een poosje bij gaan zitten om ze van dichtbij te observeren.
Ondertussen is het wat zonniger en warmer geworden. We lopen nog een tweede rondje over het eiland waarna we terug gaan naar de aanlegsteiger. Met wat vertraging komt de ferry aanvaren die ons en nog twee techniekers oppikt. Als we een uur later op de Westfjorden aanmeren staat ons rood autootje eenzaam op de kade ons op te wachten.

De Westfjorden behoren tot de oudste delen van IJsland. Ooit bestond gans dit gebied uit tafelbergen, die bedekt waren met honderden meters dikke ijspakketten. Tussen de verschillende ijstijden in zijn de fjorden uitgesleten, doordat vanuit het midden steeds weer gletsjers en rivieren zich naar lagere gebieden verplaatsten. Het landschap is daardoor erg afwisselend, soms rij je over erg steile bergwegen van 15 % en meer en even later heb je zicht op mooie diepe fjorden.

Látrabjarg

Látrabjarg

Onze eerste uitstap gaat naar Látrabjarg. Dit is Europa’s grootste vogelklif; 14 kilometer lang en tot 440 meter hoog. Tevens is het ook het meest westelijke deel van IJsland en, als je geen rekening houdt met enkele eilanden bij de Azoren, ook het meest westelijke punt van Europa.
De kliffen worden bewoond door miljoenen zeevogels, waaronder papegaaiduikers, zeekoeten, dikbek-zeekoeten, alken, drieteenmeeuwen en noordse stormvogels. Het is er voor IJslandse normen, zeker in deze regio, aardig druk op de kleine parkeerplaats. De meeste bezoekers gaan even kijken naar de enkele papegaaiduikers die bij de vuurtoren zitten, lopen daarna nog een klein stukje langs de klif om daarna snel terug in hun auto te springen en naar de hoofdweg te rijden. Maar als je verder de klif omhoog wandelt wordt het rustiger… maar niet stiller, want die duizenden vogels maken een hels kabaal. Het aantal vogels is echt niet te tellen. Elke centimeter op de richels van deze rotsen zit vol met vogels, dicht tegen elkaar geplakt. De zeekoeten op de steilste stukken, op de iets vlakkere stukken hebben de noordse stormvogels hun nest. Deze zijn goed te herkennen aan de buisvormige neusgaten waarlangs ze het teveel aan zout dat ze door het eten op zee binnen krijgen, weer kwijt kunnen. Op andere plekken weer massa’s alken en drieteenmeeuwen, en bovenaan staan papegaaiduikers aan hun holletjes. Er wordt constant af- en aangevlogen om voedsel in de zee te gaan vangen. Je zou denken dat zo broeden in grote groepen veilig is, maar toch, zij die terugkomen van zee worden belaagd door kleine en grote jagers, raven en allerhande meeuwen. Sommigen zijn erop uit om die prooi af te pakken, anderen proberen in de onbewaakte momenten de eieren of de jongen te stelen.

Noordse stormvogel (Fulmarus glacialis)

Op de terugweg naar onze B&B, slaan we nog even een zijweg in naar een mooi zandstrand. Niet om te zwemmen of te zonnen, dat laat de lage temperatuur echt niet toe, maar voor een flinke wandeling. Het tien kilometer lange Rauðasandur (= rood zand) strand varieert, naar gelang de lichtinval, tussen goudgeel en donkerrood. De wandeling levert niet alleen een frisse neus, maar ook enkel mooie foto’s op.

Rauðisandur Beach

De tweede dag van ons verblijf in de Westfjorden besluiten we om, ondanks de ‘drizzle’ (een mengeling van motregen en drupregen), toch een ritje rond de fjorden te maken. De rondweg volgt de diepe inhammen in de kust. Daardoor zijn de afstanden over de weg merkelijk groter dan dat ze in vogelvlucht zouden zijn. Het duurt ook extra lang doordat we over onverharde wegen (gravelpistes) rijden. Laaghangende grijze wolken, op een achtergrond van grijsgroene rotsen, levert wel 50 tinten grijs, maar helaas geen mooie foto’s. Ook wij moeten er van uit gaan dat het bij zonnig weer erg mooi en indrukwekkend moet zijn!

IJsduiker (Gavia immer)

Bultrugwalvis (Megaptera novaeangliae)

Na ca 200 km, we zijn dan op 1/3 van de route, rijden we Ísafjörður binnen. Net voor het stadje ligt een 7 km lange tunnel met slechts één rijstrook en passagestroken. Er is zelfs een kruispunt in de tunnel. Heel vreemd!
Ísafjörður is zowat de ’hoofdstad’ van de Westfjorden. Met 3 000 inwoners woont hier de helft van de bevolking van de Westfjorden. Het stadje ligt beschut aan het 75 km lange fjord Ísafjarðardjúp (het ‘lange ijsfjord’). Men leeft hier hoofdzakelijk van de visserij en recent van het toerisme. We rijden verder van het ene fjord naar het andere. Korte opklaringen wisselen af met felle regen. In zo’n helder moment kunnen we eerst een groepje zeehonden en daarna twee ijsduikers spotten. Dan zien we plots twee bultruggen (walvissen). Gelukkig kunnen we net hier even van de weg af parkeren. De bultruggen, die tussen 12 tot 14 meter lang zijn, komen regelmatig aan de oppervlakte, spuiten dan met veel lawaai water en lucht omhoog en duiken weer naar beneden, waarbij hun staartvin even boven water komt. We kunnen een hele poos van dit schouwspel genieten. Door deze unieke waarneming zijn we zo opgepept dan we onvermoeibaar de rest van de lange weg afleggen.

Alpensneeuwhoen (Lagopus muta)

Zeearend (Haliaeetus albicilla)

Na die rit van ca. 600 km gisteren zijn we aan een soort rustdag toe. Deze bestaat uit een rondwandeling op het einde van Vatnsfjöður. Het is een gemarkeerde wandeling die eerst langs de voet van het meer loopt. Daarna slingert ze verder op en neer door berkenstruikgewas, dat men in IJsland kjarr noemt. Vroeger kwam dit soort begroeiing met dwergberken en lijsterbessen vrij algemeen voor op IJsland. Hogerop passeren we nog een waterval en genieten we van de erg mooie flora met o.a. ontelbaar veel orchideeën. Ook zien we weer van heel dichtbij een sneeuwhoen.
Als we in de namiddag in een volgend fjord de rotsige eilandjes die voor de kust liggen met de telescoop afspeuren zien we een koppel zeearenden met jong op hun nest! Ook zij worden constant aangevallen door noordse sterns. Vanwege de grote spanwijdte, ca 2 m, wordt de zeearend ook wel de vliegende deur genoemd.

Drangajökull

De laatste dag van ons verblijf in de Westfjorden gaan we weer via de hobbelbaan naar het noorden, een rit van 200 km. Daar ligt de Drangajökull, de noordelijkst gelegen gletsjer van IJsland. Vanaf het einde van het fjord Kaldalón (koude vallei) kan je hier via de grote vloeivlakte van de vertakte gletsjerrivier, naar de voet van de gletsjer wandelen. Nu ja wandelen, eerder klauteren, want het gebied ligt bezaaid met stenen met daartussen hier en daar plekjes met veel mos en mooie plantjes.
Omdat we ontelbaar veel beekjes moeten passeren hebben we onze laarzen aangetrokken. Als we bijna aan de voet van de gletsjertong zijn, moeten we omkeren. Het regent nu niet, het giet…Het weer is te slecht om over het sneeuwveld tot op de gletsjer te gaan. Niets aan te doen, rest ons alleen nog de 200 km naar huis te hobbelen.

Fotoalbum ‘De Westfjorden met tussenstop op Flatey’ weergeven