Het schiereiland Snæfellsnes

Fotoalbum ‘Het schiereiland Snæfellsnes’ weergeven

De volgende dagen gaan we het schiereiland Snæfellsnes verder verkennen. We verhuizen echter eerst van de zuidkant naar de noordzijde.

Berserkjahraun

Alpensneeuwhoen (Lagopus muta) V

Onze eerste langere stop bij die oversteek is Berserkjahraun (hraun = lavaveld). Hier gaan we wandelen in een gebied met 4 000 jaar oude lavavelden. De rotsen en stenen zijn volledig begroeid met mossen en korstmossen met daartussen slechts enkele schaarse hogere planten. Die grijs groene kleur vormt een prima camouflage voor een alpensneeuwhoen dat hier rondwandelt. In de winter is hun verenkleed sneeuwwit maar nu, in de broedtijd, is het donker grijsbruin met een golvend patroon. Enkel als het beweegt valt het op. Het is een vrouwtje; het mist de opvallend rode ‘wenkbrauw’ die de mannetjes hebben. Ze kijkt ons net even verbaasd aan als wij haar. Tegelijk cirkelt er ook een zeearend boven ons. We zijn blij met zo’n leuk begin.

Kirkjufell mountain

In Grundarfjörður, een vissersdorpje, logeren we de volgende dagen in een guesthouse. Dit dorp is vooral bekend vanwege de Kirkjufell (jufell =berg). In deze berg kan men, met wat fantasie, de vorm van een kerk herkennen; hoewel anderen er dan weer eerder een strijkijzer in zien! Hoe dan ook, samen met de waterval in de buurt is het één van de meest gefotografeerde bezienswaardigheden van IJsland. In tegenstelling tot de andere bezoekers hebben wij bij de waterval extra aandacht voor de fraaie IJslandse gevlekte orchissen (Dactylorhiza maculata subsp. islandica) die er staan. Tijdens een langere strandwandeling verstoren we een eidereend op zijn nest en zien wij onze eerste Grote Burgemeesters. Deze forse meeuw lijkt op een Zilvermeeuw, maar heeft een wit zomerkleed met een lichtgrijze rug.

Harlekijneend (Histrionicus histrionicus)

Maar de topper van de dag zijn toch wel de 4 mannetjes en één vrouwtje harlekijneend die vlak bij onze logies in een sterk stromend beekje rondzwemmen. Deze zeer bont gekleurde eenden komen in Europa uitsluitend voor op IJsland. Ook de volgende avonden zien wij hier telkens een groepje van deze mooie eendjes.

Alaska-Lupine (Lupinus nootkatensis)

Pseudorchis albida subsp. straminea

Voor dag twee van ons verblijf in het noorden van Snæfellsnes hebben we een grote rondrit rondom de Snaefellsjökull op het programma staan. Helaas kunnen we de bovenkant van de gletsjer niet zien omdat deze in de wolken zit. Wat we wel zien, is de bijna overal op IJsland voorkomende Alaska-lupine (lupinus nootkatensis). Ganse vlaktes worden er in de vroege zomer blauw door gekleurd. Deze Amerikaanse soort werd in 1945 ingevoerd en uitgezaaid om de erosie te stoppen en, omdat ze in staat is stikstof uit de lucht te binden, de grond te verrijken. Inmiddels heeft deze plant zich zo explosief uitgebreid dat je ze werkelijk overal tegenkomt. Dat levert natuurlijk mooie plaatjes op, maar ze wordt door IJslanders meer en meer als hinderlijk ervaren omdat ze de oorspronkelijke begroeiing overwoekert.
Voorbij het dorpje Rif verlaten we even de hoofdweg om bij de vuurtorens van Öndverðarnes en Svörtuloft te geraken. Onderweg passeren wij het strand van Skarðsvík. Hier in de omgeving groeien zeer mooie populaties van Pseudorchis albida subsp. straminea (witte muggenorchissen) en van Dactylorhiza maculata subsp. Islandica (IJslandse gevlekte orchis).

De vuurtoren Svörtuloft ligt op een vogelrots die vol zeekoeten zit. Op het eerste zicht lijken die allemaal op elkaar en zou je kunnen vermoeden dat het slechts één soort is. Maar neen, tussen de gewone zitten ook kortbek- of dikbekzeekoeten (Uria lomvia), met een dikkere, kortere bek dus. Het zijn allemaal zwart-witte vogels die door het gedrag en de kleur doet denken aan pinguïns.

Kortbekzeekoet of dikbekzeekoet (Uria lomvia)

Zeekoeten komt alleen aan land om te broeden. Dit doen ze uitsluitend op steile kliffen. Daar leggen ze dan één enkel ei op een kale rots. Doordat het ei peervormig en ruw is kan het niet wegrollen. Zeekoeten staan vaak dicht bij elkaar op een smalle rotsspleet, want ook het broeden gebeurd staand. De oudervogels herkennen hun ei aan de tekening, en hun jong aan zijn geluid. Drie weken nadat het jong uit het ei gekomen is, zelfs nog voor het kan vliegen, springt het al van de rotsen de zee in.

De volgende twee stops zijn vulkanen: Saxholl, waartegen men een ijzeren trap heeft gemonteerd om de klim naar de kraterrand te vergemakkelijken en Holaholar, een explosiekrater waar je zelfs met de auto kan binnenrijden.
Na een korte rit zijn we alweer aan de zuidkust van het Snæfellsnes schiereiland. Hier ligt het voormalig vissersplaatsje en handelspost Arnarstapi. De golven van de oceaan beuken hier continu in op de basaltformaties. Bij de parking aan het begin van mooie wandeling langs kliffen, kloven, spleten en rotspartijen staat het beeld van de trol Bárður. Volgens een IJslandse saga zou deze trol in de Snæfellsjökull gletsjer wonen.

Trol Bárður

Elfen, dwergen, kabouters en trollen, … samen vormen ze het Huldufólk (het verborgen volk) dat door de IJslanders erg serieus genomen wordt. Meer dan de helft van de IJslanders geloven, min of meer, dat ze hun eiland delen met deze wezens. Het landschap is zo ontzagwekkend en de natuurlijke fenomenen zijn zo moeilijk te verklaren dat de mens er zich nietig bij voelt. Daarnaast zijn ze groot gebracht met IJslandse saga’s, verhalen waarin merkwaardige goden en bovennatuurlijke wezens een hoofdrol spelen. Gedurende meerdere eeuwen werden deze mondeling overgeleverd waarna ze later in boeken werden gepubliceerd. Het bijgeloof is zo diep geworteld dat het soms moeilijk is mythe en realiteit van elkaar te onderscheiden. Er bestaan kaarten die tonen waar het Huldufólk woont. Het heeft zelfs een impact op de ruimtelijke ordening, want wegen worden omgelegd om de ‘bewoners’ van elfenheuvels en dwergrotsen zeker niet te storen. Ook gezinnen die een nieuw huis willen bouwen, gaan raad vragen bij een specialist ter zake om er zeker van te zijn dat hun bouwgrond niet behoort tot een elfengemeenschap of ander feeënvolk.
We begrijpen die IJslanders wel, soms zijn de natuurlijke verschijnselen moeilijk te bevatten. Bij onze volgende stop is dat al duidelijk. Raudfeldsgjá of barst in de berg is er zo eentje.
Het is een wel 100 m hoge smalle kloof in een rotswand. Beneden stroomt het riviertje dat deze spleet uitgeslepen heeft. Met wat geklauter over enkele rotsblokken door het water kan je een stukje naar binnen wandelen tot in een soort nis. Heel speciaal vooral door de mist die bovenaan hangt!

Búðakirkja

We rijden nog even verder tot aan het kerkje van Búðir, maar besluiten om hier morgen terug te komen voor een langere wandeling.
Het gehucht Búðir, was vanaf de 17de eeuw een vissersdorp. Net zoals zoveel andere nederzettingen in deze streek, werd deze in het begin van de 19de eeuw verlaten. Van het dorp is er niets meer terug te vinden, behalve het zwart kerkje: Búðakirkja. De kerk is zwart omdat de houten planken, net zoals de romp van schip, met pek ingesmeerd zijn. Vanaf het kerkhof dat omringd is met een wal van lavastenen is het erg fotogeniek. Alle bussen die een rondrit maken op het schiereiland stoppen hier. Daar de gids hen er steevast op wijst dat er binnen in de kerk een bankje met de rug naar het altaar is gezet en dat dit bedoeld is om de huwbare meisjes duidelijk zichtbaar te etaleren, gaan allen even door de venster piepen om dit te controleren.

Hondsviooltje (Viola canina)

Wij doen er de rondwandeling door een uitgestrekt oud lavaveld tot en op een vulkaan waarvan een zijflank weggeblazen is. De stenen zijn niet allen begroeid met mossen; ertussen staan heel wat fraaie planten zoals klein wintergroen, éénbloemige silene, hondsviooltjes, witte muggenorchissen, gevlekte orchis, groene nachtorchis,…. Ook hier zien we een Alpensneeuwhoen, deze keer een mannetje; en overal vliegen er kramsvogels.
We rijden daarna via de zuidkant terug tot op de weg die we maandag ook al genomen hebben.

Ferry Baldur

We gaan alvast eens kijken in de haven van Stykkishólmur. Morgenvroeg zullen we er de ferry nemen naar de Westfjorden. Ook moeten we in het kantoor van de ferrymaatschappij onze gereserveerde tickets gaan ophalen. Nog even winkelen, tanken en in de apotheek pilletjes tegen de zeeziekte halen, en dan zijn we er klaar voor: morgen gaan we bootje varen!

Fotoalbum ‘Het schiereiland Snæfellsnes’ weergeven

Advertenties

Op naar IJsland!

Fotoalbum ‘Op naar IJsland!’ weergeven

Mývatn Blue Lake

Muts, handschoenen, wollen truien en een dikke waterdichte winterjas… het zijn niet de kledingstukken die je direct associeert met een reis eind juni, eerste helft juli. Zeker al niet op een moment dat we in grote delen van Europa een echte hittegolf kennen. Toch nemen we ze graag mee want ons reisdoel deze zomer is het meest noordwestelijke land van Europa; IJsland dus. Door zijn naam zou je kunnen denken dat het er ijskoud is. Dat valt gelukkig, gezien de ligging vlak onder de poolcirkel, toch nog best mee. De warme golfstroom in de Atlantische oceaan, samen met een dominante zuidwesten wind zorgen ervoor dat in juni en juli de gemiddelde temperatuur rond de 10 à 12°C ligt; maar ook dat er vrijwel dagelijks regenbuien overtrekken. Ruig weer dat past bij het ruige landschap van het eiland. Als een soort van compensatie zijn, door de noordelijke ligging, de dagen in de zomer erg lang (en in de winter juist erg kort). Eind juni gaat de zon pas om middernacht onder en verschijnt deze om twee uur in de ochtend alweer in het zuidoosten aan de horizon. In de uren daartussen wordt het niet echt donker, het blijft schemeren.

Grauwe franjepoot (Phalaropus lobatus)

Eider (Somateria mollissima)

De volgende 24 dagen gaan we een deel van IJsland verkennen. De streek rond de hoofdstad Reykjavík, het uitgestrekte binnenland en de oostkust slaan we daarbij welbewust over. Daarnaast gaan we in tegenstelling tot de meeste toeristen eerst west- en noordwaarts, om pas op het einde van onze reis de klassieke hoogtepunten van Zuid-IJsland te bezoeken.
Afgelopen maanden hebben we een route uitgestippeld, logies gezocht op voor ons gunstige locaties en een ‘ruw’ dagprogramma opgesteld. Hierbij hebben we erop gelet plaatsen uit te kiezen waar de kans groot is om de hoog op ons verlanglijstje staande vogelsoorten te zien: zoals o.a: de giervalk, het smelleken, de zeearend, de grauwe en rosse franjepoot, burgemeesters (meeuwen in dit geval), de IJslandse brilduiker en de harlekijneend, de velduil, de ijsduiker, de kuifduiker, … en tal van andere boeiende planten en dieren. Natuurlijk willen we ook graag enkele mooie wandelingen maken tussen de subarctische flora en genieten van het fascinerende landschap met actieve vulkanen, gletsjers, geisers en hot springs.

Kuifduiker (Podiceps auritus)

Geologisch gezien is IJsland piepjong: ongeveer 17 miljoen jaar oud. Dit terwijl men er van uit gaat dat de aarde al zo’n 4,5 miljard jaar bestaat. Het eiland is ontstaan door vulkaanuitbarstingen op de oceaanbodem. Het ligt dan ook op een ‘hot spot’, een gebied waar de aardkorst erg dun is. Daardoor kan het vloeibaar gesteente uit het binnenste van de aarde gemakkelijk aan de oppervlakte komen. Daarnaast ligt het ook nog eens pal op de Mid-Atlantische Rug. Dat is een onderzeese bergketen tussen aan de ene kant de Amerikaanse continentale plaat en aan de andere kant de Euraziatische-Afrikaans continentale plaat. De tektonische platen drijven langzaam uit elkaar, gemiddeld zo’n 2 centimeter per jaar. De scheuren die hierbij ontstaan worden opgevuld door lava. IJsland groeit dus nog steeds! Op dit moment zijn er meerdere breuklijnen die vulkanische actief zijn. Zoals deze in de buurt van de Krafla vulkaan in het noorden, bij de vulkanen Hekla en Katla midden op het eiland en bij Þingvellir in het zuiden.

Berserkjahraun

Beginnen doen we onze reis in het westen op het schiereiland Snæfellsnes. (Samen met de oostkant geologisch gezien het oudste deel van het IJsland) Centraal van oost naar west loopt hier een langgerekte bergketen met de kleine gletsjer Snæfellsjökull als hoogste punt (1446 meter).
Onze eerste verblijfplaats is aan de zuidkant in Borgarnes. Vanaf de luchthaven in het uiterste zuiden zo’n 120 km richting noorden. Hoewel het traject voor het grootste deel de ringweg 1 rond IJsland volgt en er zelfs stukken 4-baansweg zijn, doen we er toch ruim 2 uur over. Deels te wijten aan de regen, maar vooral aan het drukke verkeer: files dus. We rijden langere tijd stapvoets en dan weer even stilstaan. Dat hadden we nooit verwacht! Maar ja, IJsland is ‘hot’: het massatoerisme is vrij nieuw en kwam pas na 2011, toen de financiële crisis verteerd was, echt op gang. De jongste jaren steeg de sector jaarlijks telkens met 25 procent.

Kleine jager (Stercorarius parasiticus)

Gelukkig gaan we de eerst volgende dagen geen last meer hebben van files. Zeker al niet de eerste twee dagen want dan gaan we rondkijken in de weilanden en moerassen net ten oosten van Borgarnes, een gebied dat elke toerist overslaat.
De regio Mýrar = moeras is misschien niet de meest typische streek van IJsland maar voor ons zeer interessant vooral omdat het een zeer rijk vogelgebied is.
Het is een laagvlakte, die veelal slechts enkele meters boven het zeeniveau uitkomt, met een grillige kustlijn die zeer veel inhammen met kleine strandvlaktes heeft. Het gebied bestaat hoofdzakelijk uit weilanden afgewisseld met kleinere zoutmoerassen, kreken, waterplassen, afwateringskanalen, maar ook enkele beken en kleine rivieren. Er is voldoende voedsel aanwezig, waardoor het een ideale broedplaats is voor de meest voorkomende weide, waad -en watervogels.

Noordse stern

Doordat het voornamelijk een landbouwgebied is lopen er enkele goed onderhouden wegen door, breed genoeg om ongestoord aan de kant te kunnen gaan staan. Nu, in het broedseizoen is het een uitstekende plek om vogels te spotten. Vanuit de auto, als rijdende schuilhut, kunnen we de vogels ongestoord dicht benaderen. Hoewel, telkens als we uitstappen om even een stukje te wandelen of om de telescoop boven te halen, worden we aangevallen door Noordse sternen welke fel te keer gaan om hun nest of jong te beschermen. Niet alleen maken ze al krijsend veel lawaai, ook duiken ze vanuit een biddende houding op je af om in je hoofd te pikken. Een muts en een kap zijn dan ook niet overbodig. Hetzelfde bij de kleine jagers die hier broeden. Ze zijn zeer agressief en vallen niet alleen ons aan, maar ook meeuwen en sternen om dan hun prooi af te pakken.
Ze kunnen echter niet verhinderen dat we mooie waarnemingen hebben van o.a. de grauwe franjepoot, goudplevier, roodkeelduiker, tureluur, regenwulp, IJslandse grutto en natuurlijk de sinds 1848 beschermde eidereenden.

Eiderdons

Op onze route rijden we ook door en langs enkele eiderdonsfarms. De boeren zorgen voor een veilige en rustige omgeving en beschermen de eidereenden tegen vossen en roofvogels. Als de eenden, na de broedperiode, hun nest verlaten wordt het dons waarmee ze het nest bekleed hadden verzameld ,gewassen en verkocht aan de Europese donsateliers.

Gelukkig valt het weer mee, vooral op dag twee is het meestal droog en breekt regelmatig de zon door. We hebben in de verte dan ook mooi zicht op de Snæfellsjökull die nu eens niet in de wolken zit. Juister gezegd op de stratovulkaan Snæfell die voor het laatst is uitgebarsten in 1219 en die bedekt is met een gletsjer (jökull = gletsjer).

Snaefellsjökull

Het is bij deze vulkaan dat de Franse schrijver Jules Verne, een van de eerste sciencefiction auteurs, in zijn boek ’Naar het middelpunt der aarde’ de reis laat beginnen. In het verhaal kan Axel, neef van professor Lidenbrock, een geheimschrift ontcijferen waarin beschreven wordt hoe het middelpunt van de aarde bereikt kan worden. Axel en de professor gaan samen op reis. Ze dalen dieper en dieper af in de aarde en komen na een tocht vol avontuur en beproevingen terug aan de oppervlakte op het Italiaanse eiland Stromboli. En laat dat nu een van onze favoriete vulkanen zijn!

Fotoalbum ‘Op naar IJsland!’ weergeven