Wandelen in en bij het Parc National de la Vanoise

Fotoalbum ‘La Vanoise 2021’ weergeven

Nu het, door al dat wandelen en fietsen van de laatste maanden, erg goed zit met onze conditie hebben we wel zin in een echte wandelvakantie in de bergen.

Als uitvalsbasis hebben we gekozen voor Champagny-en-Vanoise, een niet al te groot ski dorp dat aan de rand ligt van het Nationaal park Vanoise. In 1999 en 2004 waren we hier ook, en het is de bedoeling om de mooie, soms pittige wandelingen van toen nog een keertje over te doen, en natuurlijk de schitterende alpine fauna en flora te bewonderen.

Het Parc national de la Vanoise dat gelegen is in het departement Savoie en grenst aan Italië, werd opgericht in 1963 en is het oudste nationale park van Frankrijk. Het oorspronkelijk doel van dit park was om de alpensteenbok (Capra ibex), die in hooggebergten tussen de 1.600 en 3.200 meter leeft, te beschermen. Want als gevolg van de jacht waren ze in het begin van de 19e eeuw ongeveer uitgestorven. Enkel in het huidige Nationale Park ‘Gran Paradiso’ (in Piëmont, Italië) leefde er nog een kudde van ca 100 dieren. Helaas was dat gebied in die tijd gekend als ‘Koninklijk Jachtreservaat’ waar de koningen van Italië het exclusieve recht hadden om te jagen.

In 1922 werd Gran Paradiso officieel tot nationaal park verklaard, maar helaas was de alpensteenbok, als hij de grens overstak, niet beschermd tegen de kogels van de Franse jagers. Vandaar dat ook aan deze kant van de grens bescherming nodig was. Er volgde lange discussies tussen natuurbeschermers, die een groot park wilden, en de plaatselijke bevolking, die in verband met het opkomende (ski) toerisme, een klein park wilde. Het compromis (in 1963) was een centrale zone, die ongeveer 53 000 ha beslaat en niet bewoond is, met strikte bepalingen om verstoring zoveel mogelijk te beperken en een bufferzone, bijna driemaal zo groot, waar minder strenge regels gelden. Hierdoor zijn er nu zelfs skiliften die pal op de parkgrens eindigen. Ondertussen is het aantal steenbokken weer toegenomen en zijn ze terug met zo’n 2000. Natuurlijk hebben ook andere dieren en vele plantensoorten kunnen profiteren van deze bescherming.

Op onze wandelingen zagen we regelmatig steenbokken, al was het wel, in tegenstelling met vorige keren, enkel in de verte. In de zomermaanden komen ze meestal enkel ’s morgens vroeg of bij zonsondergang grazen op de bergweiden, terwijl ze tijdens de dag liever verblijven op de hoger gelegen steile rotsen en op de bergkammen.

Wel dichtbij komen de alpenmarmotten (Marmota marmota), nieuwsgierig en speels als ze zijn, en op zoek naar eventuele voor hen ongezonde picknickrestjes. Vaak zitten ze te zonnen op een uitkijkpost in de buurt van een van de uitgangen van hun uitgebreid gangenstelsel en al fluitend waarschuwen ze de rest van de kolonie bij mogelijk gevaar.

Door de complexe geologische opbouw van de Alpen komen er in de buurt van Champagny zowel zones voor met een zure bodem als andere die kalkrijk zijn. Er zijn plantensoorten die exclusief gebonden zijn aan één van deze grondsoorten, terwijl andere op beide voorkomen. Ook factoren als hoogte, lichtintensiteit, vochtigheid, en wind zorgen ervoor dat de vegetatie heel rijk en gevarieerd is.

Op onze eerste dag hebben we al een pittige wandeling voor de boeg: de Dent du Villard, een berg die bestaat uit krijt en gips. Gips is een zacht, kruimelig gesteente, dat langzaam oplost en wegspoelt, waardoor er grote kale rotsblokken vrij komen te liggen en er enorme gaten ontstaan. Vanaf het skistation Courchevel 1650 daalt een weg af naar Lac de la Rosière. Dit bergmeer ligt in een bosrijke omgeving aan de voet van de Dent du Villard.

De wandeling start met een klim door het bos. Dat we regelmatig blijven staan heeft niets te maken met het parcours maar wel met de botanische pareltjes die in de wegkant staan en die we uitgebreid willen bewonderen. Het zijn allemaal kalkminnende planten die van schaduw houden: soldaatje (Orchis militaris), wit bosvogeltje (Cephalanthera longifolia), welriekende muggenorchis (Gymnadenia odoratissima), rood bosvogeltje (Cephalanthera rubra), alpenbosrank (Clematis alpina), alpenvetblad (Pinguicla alpina) alpenakelei (Aquilegia alpina), vogelnestje (Neottia nidus-avis), lelietje van dalen (Convallaria majalis), knikkend nagelkruid (Geum rivale), gele monnikskap (Aconitum lycoctonum) en zoveel meer.

Nu, de laatste dagen van juni staat het bos vol met vrouwenschoentjes (Cypripedium calceolus) … honderden planten, werkelijk schitterend! Bergop nemen we het langere pad dat rond de berg loopt en eerst uitkijk over Courchevel en de skipistes, daarna zien we Champagny in het dal liggen. Het deel van de wandeling vlak onder de top loopt door meer open terrein en in de flanken zijn sommige stukken uitgesleten. Er zijn diepe gaten en het gips is goed te zien. Vaak is het pad erg smal en wandelt men direct langs de steile bergwand. Na wat klauteren komt men bij het kruis en de oriëntatietafel, een handige hulp om de toppen rondom te herkennen.

Zuidelijk van de Dent du Villard ligt nog een kalkbult, de Petit Mont Blanc. Buiten het feit dat je vanaf de top van ‘kleine’ de beroemde hoogste berg van de Alpen kan zien liggen, hebben ze niets met elkaar te maken. De naam verwijst naar de witte kleur van het gips, waar hij voor het grootste gedeelte uit bestaat. Het vertrekpunt ligt iets ten zuiden van Pralognan in Les Prioux op ca. 1500 m. Het eerste stuk loopt ook weer door het bos om eens boven de boomgrens over te gaan in schitterende weilanden met heel veel vanilleorchis (Gymnadenia rhellicani), groene nachtorchis (Coeloglossum viride), grote muggenorchis (Gymnadenia conopsea), alpenaster (Aster alpinus), meerdere soorten anemonen, gentianen, anjers, edelweiss (Leontopodium alpinum), enz…

Wij wandelen achterom via de Col des Saulces. Vanaf hier moet er stevig geklommen worden naar de top van de Petit Mont Blanc op 2667 m. Het is in dit laatste stuk dat we op speurtocht gaan naar de dwergorchis (Chamorchis alpina). Het is de kleinste Europese orchidee: maximaal 10 cm hoog met meerdere rechtopstaande lijnvormige geelgroene bladen en een aarvormige bloeistengel met kleine onopvallende bloemen. De dwergorchis is een kalkminnende plant die voorkomt op extreme plekken: boven de boomgrens, in de zon op kale rotsen, waar de gure wind de sneeuw wegblaast. Steeds in het gezelschap van zilverkruid (Dryas octopetala). In 2004 vonden we meerdere plantjes iets onder de top, en ook nu vinden we hier weer wat plantjes, nog in knop of pas in bloei en dus nog kleiner, nauwelijks 4 of 5 cm hoog.

Een mooi zicht op de grootsheid van de Vanoise krijgt men vanop de centraal gelegen Col de la Vanoise. Naar het noorden kijk je uit op de hoge en indrukwekkende bergtoppen van de het Mont Blancmassief. Naar het oosten toe domineren de uitgestrekte gletsjers, terwijl in zuidelijke richting de bergen lager en glooiender zijn. Om dat met eigen ogen te kunnen zien moet er wel eerst stevig bergop gewandeld worden. Maar we hebben geluk, want net als we bij het vertrekpunt in Les Fontanettes bij Pralognon aankomen, opent men uitzonderlijk de skilift. Een meevaller want het deel van de wandeling bij de skilift en pistes is weinig charmant. Het lijkt er wat op een ‘maanlandschap’ met hier en daar wat ruigtekruiden. Alle oneffenheden zijn er verdwenen omdat egale vlaktes vlotter met kunstsneeuw bedekt kunnen worden en men er zwaardere machines kan inzetten.

Het is vooral vanaf de Refuge des Barmettes op 2000 m dat de schitterende Alpenflora te zien is. Hier loopt de GR 55 tussen stenen muurtjes. Het is het oude muilezelpad, dat eeuwen lang de verbindingsweg vormde tussen de valleien van de Tarentaise en de Maurienne, en verder door naar Piëmont in Italië liep. Langs hier werden zowat al mogelijke producten over de pas vervoerd, de belangrijkste producten waren kaas en zeker zout, vroeger het enige bewaarmiddel. Vandaar dat deze route ook ‘route du sel’ genoemd werd.

Lac des Vaches, aan de voet van de Aiguille de la Vanoise kan je oversteken door het spoor van muilezeldrijvers te volgen en over de grote vlakke stenen te stappen die midden in het meer liggen. Verderop loopt het pad omhoog de morene van de Grande Casse-gletsjer op, om daarna langs Lac Long bij de berghut van de Col de la Vanoise (2522) te komen. Zowel onderweg als hier boven ligt er nog vrij veel sneeuw. Op de plekken waar de sneeuw pas verdwenen is staan duizenden kwastjesbloemen (Soldanella) en lenteanenmonen (Pulsatilla vernalis) in bloei.

Het is pas middag als we boven zijn, dus hebben we tijd om rond te kijken en verder door te wandelen naar Lac Rond. In deze omgeving kunnen we de hoge alpine flora vinden. De planten die hier groeien zijn echte specialisten, aangepast aan de meest extreme omstandigheden.

Het uitzicht is prachtig: kleurrijke alpenweiden, grote blauwige ijsvlaktes van de gletsjertongen met daartussen grillige rotswanden met daarbij kabbelende beken en diepblauwe meertjes. Terwijl wij hier picknicken zeilt een steenarend langs de bergwand, allicht ook op zoek naar een lekkere hap.

Voor de terugweg willen we de route via Cirque de l’Arcelin nemen, maar in de namiddag maakt het vele smeltwater sommige bergriviertjes hier erg onstuimig, waardoor het pad in het onderste deel afgeraden wordt. Halverwege de afdaling zullen we dus terug omhoog moeten om via Le Moriond bij Barmettes te geraken. Het pad daalt snel en de rotsen zijn soms glad. Dat heeft Felix gemerkt toen hij een uitschuiver maakte, gelukkig met enkel een kleine schaafwonde en een verstuikte enkel als gevolg. De klim terug omhoog is schitterend, heel de omgeving is rood gekleurd door de bloeiende alpenroosjes. Omdat het warm en zonnig is, vliegen ook veel vlinders rond. We zien o.a. de parelmoervlinder, kleine vos, koninginnenpage, groot geaderd witje, de koningspage, …

Nu zijn niet alle wandelingen kuitenbijters. Zo is de wandeling naar La Tour du Merle een aangename boswandeling met heel veel kleine keverorchis (Listera cordata). Vanuit Laisonnay d’ en Haut zijn er twee mogelijkheden: of de lange, traag stijgende wandeling ‘le Sentier Glaciologique’ maken via Lac de la Gliére, of iets pittiger naar de Refuge de Plaisance. De omgeving van de Refuge de Plaisance is de zone waar wij al altijd steenbokken zagen, ook deze keer, maar nu wel verder weg. Daarnaast loop je hier tussen witte muggenorchissen (Pseudorchis albida), Dactyloriza alpestris, paradijslelies (Paradisea lilastrum) en de schitterende zwavelgele anemoon (Pulsatilla alpina subsp. apiifolia) die wijst op een zuur milieu. Ook erg leuk is het om de vallei van de Chavière richting refuge Péclet Polset te volgen vanuit Les Prioux. Al deze wandelingen lopen grotendeels door schitterende alpenweiden die eind juni, begin juli één groot bloementapijt vormen. En onderweg zien wij regelmatig tapuiten, waterpiepers, paapjes, alpenkauwtjes… Ook hadden wij meerdere buitengewoon prachtige waarnemingen van de rode rotslijster.

Vanaf eind mei tot oktober zijn deze alpenweiden het terrein van kudden melkkoeien met hun herders. Steeds weer verplaatsen ze zich naargelang de groei van het gras. De kaas maken ze meestal ter plaatse volgens de strikt gereguleerde traditionele methode. Het is de overheerlijke Beaufort, een harde kaas met een subtiele notensmaak die alleen hier in een drietal valleien gemaakt wordt van melk van twee koeienrassen: het blekere egaal bruine Tarine en het donkerbruinrode met witte kop: de Abondance. De Beaufortkaas kent twee speciale typeringen: “Beaufort d’été” houdt in dat de kaas gemaakt is van melk uit de maanden juni tot en met oktober en “chalet d’alpage” betekent dat de kaas gemaakt is in een chalet gelegen op minimaal 1500 m hoogte. De koeien worden 2 maal per dag gemolken. Een eerste keer om 3:30 uur ’s morgens, een twee keer in de namiddag. Wij volgden een deel van het melkproces en zagen hoe de 180 koeien (één kudde waarbij de koeien afkomstig waren van 4 landerijen), rustig gingen aanschuiven bij de melkmachines.

Een prima activiteit voor als het weer niet echt mee wil, is het zoeken naar ‘linnaeusklokjes’; een erg mooi klein iel plantje met twee kleine frêle klokvormige wit-roze bloemetjes op een dun steeltje.
Het was een van de lievelingsplantjes van de bekende Zweedse botanicus Carl Linne, pionier in het systematiseren van flora en fauna. Hij zag het tijdens een reis in Lapland. Het plantje werd door een van zijn assistenten naar hem genoemd: linnaeusklokje (Linnaea borealis). We lazen dat van dit schitterend plantje er in gans Frankrijk maar 5 vindplaatsen gekend, allemaal in de Vanoise. We vinden het terug op grote met mossen begroeide rotsblokken onder dennen. Bij onze eerste zoekactie staan de bloempjes nog in knop, de voorlaatste dag vinden we de eerste plantjes in volle bloei. Wat mooi, we kunnen Carl Linne volledig begrijpen!

Fotoalbum ‘La Vanoise 2021’ weergeven

Enkele dagen in de Oost-Vercors (2021)

Fotoalbum ‘De Vercors 2/06 – 5/06/2021’ weergeven

De vorige dagen verbleven we in het eerder lieflijke en gemoedelijke westelijke deel van het regionale park van de Vercors, de Drôme. Vanaf nu is het eerder ruiger, woester oostelijk deel, dat in de Isère ligt, aan de beurt.

Vallon de CombeauCamping Le Lac BleuHet was oorspronkelijk de bedoeling om in Gresse-en-Vercors, het hoogste dorp in de regio, te gaan logeren. Maar men voorspelt voor de volgende dagen elke avond regen en ’s nachts temperaturen die dicht bij het vriespunt liggen. Daardoor bestaat de kans dat er geen regen, maar sneeuw valt. Niet echt iets om naar uit te kijken! Daarom schakelen we over naar plan B en gaan we logeren in Châtillon-en-Diois. Hier hebben we mooi weer in het vooruitzicht, maar het gevolg is wel dat wij nu elke dag de vlakbij gelegen Col de Menée over moeten om op onze bestemming te geraken. Maar dat nemen we er graag bij. We verblijven ook hier in een stacaravan; op de mooie camping ‘Le Lac Bleu’, gelegen aan de rand van een klein meertje. Moesten we de vorige dagen nog even tot aan de receptie wandelen voor het brood, hier brengt de baas het aan ‘huis’. Wat een service!

Eens men het plaatsje ‘Les Nonnières’ op weg naar de Col de Menée gepasseerd is, verandert het uitzicht en krijgt alles een meer alpijns karakter: hoogvlaktes met alpenweiden, toppen die vaak in nevel gehuld zijn en uitgestrekte bossen met sparren, dennen en beuken. Wat de flora betreft zijn het ook andere soorten die hier onze aandacht trekken, de meer alpijnse soorten.

Mont AiguilleWe starten onze verkenning aan de voet van de Mont Aiguille (top 2068 m) in het liefelijke gehucht Trésanne. Deze kolos maakt geen deel uit van de aaneengesloten rij van kalkplateaus die de Vercors in het oosten kenmerken. Door erosie is hij afgezonderd geraakt van de rest. Het is een imposante ‘getuigenheuvel’ met loodrechte kalkwanden en bovenop een grazig plateau. Door zijn opvallende vorm werd hij eeuwen lang de ‘ontoegankelijke berg’ genoemd. Tot in 1492 Antoine de Ville met behulp van ladders en touwen de top bereikte. Het was de eerste gedocumenteerde beklimming van een berg met als enige doel de top te bereiken: het alpinisme was ontstaan.

vrouwenschoentje (Cypripedium calceolus)Wij blijven in de bosrijke omgeving beneden in het dal. Vrij snel vinden we enkele mooie groepjes vrouwenschoentjes of venusschoentjes (Cypripedium calceolus) begin bloei. Deze erg opvallende soort met de grote, holle lip is de orchidee met de grootste bloemen in Europa. De naam van de plant verwijst naar de vorm van de lip die enigszins doet denken aan een damesschoen. Hoe liefelijk deze bloem er ook uitziet, voor de insecten, die gelokt worden door de geurstoffen vormt de lip een echte val. Als ze willen landen op het gladde staminodium (een tot landingsplatvorm vergroeide onvruchtbare meeldraad) vinden ze geen houvast en vallen ze in de ketelvormige lip. Door de vorm ervan en de gladde wand aan de binnenzijde kunnen ze niet ontsnappen via dezelfde weg. Enkel grote en sterke insecten, zoals zandbijen, kunnen zich naar buiten wringen via een smalle doorgang waarbij hun lijfje vol gekleefd wordt met stuifmeel (pollen). Deze laten ze dan achter bij een volgende bloem en op die manier zorgen ze voor de bestuiving. Kleine of minder krachtige insecten kunnen niet ontsnappen en zullen het bezoek aan deze bloem niet overleven. Daardoor ontstond het foute idee dat ook het vrouwenschoentje tot de groep van de vleesetende planten zou behoren.
Zowel vandaag in de omgeving van Trésanne, als de volgende dagen zullen we op heel wat plekken, zoals op de col de Prayer en op de col de Papavet, alsook in het bos bij La Bâtie en bij Richardières redelijke aantallen van deze bijzondere orchidee aantreffen.

vrouwenschoentje (Cypripedium calceolus)

Dat de natuur in het algemeen hier zo goed bewaard is gebleven, is mede te danken aan de plaatselijke bevolking die van generatie op generatie landbouw bedrijft met oog voor de unieke natuur. Voor hun is kwaliteit belangrijker dan kwantiteit, dat verzekerde ons de boerin van ‘La Ferme Du Mont Inaccessible’. De kaasjes die zij maakt van de melk van haar schapen- en geitenkudde smaakten overheerlijk.

Orchis spitzeliiVlak bij het binnenkomen van Trésanne staat in de wegberm nog een vrij zeldzame orchidee: Ochis spitzelli, genoemd naar plantenverzamelaar Anton von Spitzel welke deze plant in 1835 als eerste zou gevonden hebben. Ochis spitzelli is, in orchideeën termen, een oude soort met een zeer uitgestrekt en erg verbrokkeld verspreidingsgebied. Men vindt ze zowel in Europa (zelfs in het zuiden van Zweden), Noord-Afrika als in het Midden-Oosten. Er zijn zowel vindplaatsen in de nabijheid van de kust als tot op een hoogte van 2000 m. Maar steeds zijn het kleine aantallen en soms liggen de vindplaatsen honderden kilometers van elkaar. Dit zou te wijten zijn aan de hoge eisen die deze soort stelt aan haar groeiplaats. Een basische ondergrond, die in het voorjaar vochtig moet zijn en koude, sneeuwrijke winters. Waarschijnlijk was deze soort vroeger op meerdere plekken terug te vinden.

Vanuit Gresse-en-Vercors loopt een prachtige (weg) wandeling in oostelijk richting naar de Pas de Serpaton (1520 m). Het panoramisch zicht naar het westen toe is spectaculair: een vijftig kilometer lange en honderden meters hoge rotsmuur met daartussen de toppen van de Mont Aiguille en de Grand Veymont (2341 m). Dit zijn de Hauts Plateaux du Vercors.

kleine keverorchis (Neottia cordataDe wegbermen en de weilanden zijn zeer bloemenrijk. Vele soorten die de we de vorige dagen zagen, passeren ook hier weer de revue, zoals de gentianen, sleutelbloemen, narcissen, anemonen, viooltjes, en zoveel meer. Ook heel veel vlierorchissen (Dactylorhiza sambucina), vooral de gele vorm; de bleke orchis (Orchis pallens), de grote muggenorchis (Gymnadenia conopsea). Naast de gewone mannetjesorchis (Orchis mascula) groeit hier ook de oostelijke variant; de soort met o.a. zwarte puntjes onderaan de bladeren en wat sierlijker bloemen: Orchis ovalis.

Boven op de col de Prayer, kan je via een glibberig pad het bos induiken. Er is hier een tufmoeras waarbij rechts van het pad er wel honderd vrouwenschoentjes staan. In deze omgeving gaan we voorzichtig op zoek naar de kleine keverorchis (Neottia cordata). Het is even speuren want de plantjes worden meestal niet groter dan 10 cm en vaak verstoppen ze zich tussen het mos. Dat, zowel de frêle stengel, als de bloemen dan ook nog eens groen tot roodbruin zijn, helpt de zichtbaarheid niet echt. Toch weten we ze te vinden.

koraalwortel (Corallorhiza trifida)Noch zo’n 10 cm grote ‘reus’ die hier in de buurt groeit is de koraalwortel (Corallorhiza trifida). Terwijl de kleine keverorchis nog 2 kleine hartvormige blaadjes heeft, ontbreken die bij de koraalwortel en moet men op zoek naar enkele zeer kleine tot een halve centimeter grote wit-geelachtige bloemetjes op een geelgroene tot paarsachtige bloemsteeltje, en dat tussen het mos en de dennennaalden. We zijn dan ook erg enthousiast als we na lang turen en speuren er uiteindelijk eentje kunnen vinden.

vroege spinnenorchis (Ophrys araneola)In de wegberm in de buurt van de col de Prayer hadden we nog een opmerkelijke waarneming: een mooie toef vroege spinnenorchis (Ophrys araneola). Zoals de naam al zegt een van de vroegste bloeiers onder de ophrysen. Het is niet ongebruikelijk dat men deze soort, die in lager gelegen streken al in maart/april bloeit, hier bloeiend aantreft begin juni.

Vallon de CombeauVoor, één van de mooiste wandelingen die we kennen, deze in de Vallon de Combeau, moeten we de col de Menée zelfs niet over. Bij Les Nonnières kunnen we afslaan en de weg in de diepe, smalle vallei volgen, die de rivier Combeau heeft uitgesneden. De weg eindigt bij een parking die op 1320 m ligt. We zijn hier op de rand van de Réserve Naturelle des Hauts Plateaux.

vlierorchis (Dactylorhiza sambucina)Miljoenen jaren geleden was dit deel van Frankrijk een lagune. Onder water vormde zich een 2000 meter dikke laag kalksteen, die door aardbevingen omhoog kwam, waardoor er een plateau ontstond. Regen en smeltwater loste de zachter kalksteen op, zo is er onder het plateau een ondergrondse wereld ontstaan die bestaat uit grotten en gangenstelsels. Het is dan ook te begrijpen dat tijdens de Tweede Wereldoorlog in deze streek vele Franse verzetsstrijders een veilig onderkomen vonden.

vergeet-mij-nietje sp.(Myosotis)Doordat het water onmiddellijk insijpelt is er op het plateau nauwelijks oppervlaktewater te vinden. Deze plek staat bekend als een van de meest ongerepte van Frankrijk. Op het 17.000 hectare grote plateau is er afgezien van enkele hutten (vooral gebruikt door wandelaars) en open stallen voor runderen en paarden, geen bebouwing. Al eeuwen lang trekken schaapsherders tijdens de zomermaanden met hun kudde over het plateau.

zuidelijke tulp (Tulipa australis)

Alpen kwastjesbloem (Soldanella alpina)Heel traag stijgend loopt de weg langs een dennen en beukenbos, maar onmiddellijk daarna zijn er enkel nog uitgestrekte weilanden in de glooiende vallei, met hier en daar een klein bosje of enkele alleenstaande dennen. Een schitterende wandeling door een zee van bloemen: gentianen, narcissen, vergeet-mij nietjes, sleutelbloemen, trollius, viooltjes en orchideeën, … die kleur geven aan de korte grasvelden. Nu begin juni staan de vlierorchissen in volle bloei, zowel de rode als de gele – ze worden ook wel Adam en Eva genoemd.

Echt gecharmeerd zijn we door de zuidelijke tulp (Tulipa australis) die uitbundig staat te bloeien. Eens voorbij de hut ‘Cabane de l’ Essaure’, is er zelfs geen pad meer, wel staan er hier en daar steenmannetjes die een route markeren. Het weer is dit keer beter dan in 2015, zodat we een eind verder kunnen lopen, echt tot op het plateau. Hier staan zelfs geen bomen meer, een uitgestrekte open gras- en steenvlakte. Op sommige plekken is de sneeuw pas verdwenen en zien we o.a. alpenkwastjesbloem en bonte krokus. Een grandioze omgeving!

Fotoalbum ‘De Vercors 2/06 – 5/06/2021’ weergeven

Enkele dagen in de Drôme! (2021)

Fotoalbum ‘De Drôme 27/05 – 5/06/2021’ weergeven

Het is eind mei … en we kunnen eindelijk op stap voor onze eerste ‘na-corona’-reis! We zijn beiden volledig gevaccineerd, wat toch wel een veiliger gevoel geeft, en met een negatieve PCR-test mogen we Frankrijk binnen. Net op het goede moment om orchideeën, andere plantjes en zoveel meer te gaan bekijken in één van de mooiste natuurgebieden van Frankrijk: de Vercors.

2021-05-29=14-54-52=DSC_1144=NIKON D5300We kennen dit prachtig natuurgebied, enerzijds uit 2006, toen we met SEMO (Studiegroep Europese en Mediterrane Orchideeën) hier op uitstap waren naar aanleiding van het 15 jarig jubileum, en anderzijds van onze reis in 2015, toen we hier een drietal weken verbleven. We schreven toen ook een blog: De Drôme 2015 en De Vercors 2015

Col de TourniolHet “Parc Naturel Régional du Vercors” ligt ten zuidwesten van Grenoble en strekt zich uit in twee departementen: de Drôme en de Isère; en vormt een soort opstapje van de Rhônevallei (westen) naar de Alpen (oosten). Vier rivieren vormen de grens van het gebied: de Isère in het noorden, de Rhône in het westen, de Drôme in het zuiden en de Drac in het oosten. Het is een verrassend mooi en gevarieerd gebied met nog niet echt hoge bergen maar wel imposante bergkammen. De kale uit harde kalksteen bestaande hoogplateaus steken steil boven de bosrijke omgeving uit. Daartussen liggen dan (soms canyonachtige) valleien die voornamelijk in noord-zuidrichting lopen. Om van de ene vallei in de andere te geraken moet je soms een verre omweg maken. Vooral het centraal gelegen ” Réserve naturelle des Hauts plateaux du Vercors” is erg indrukwekkend. Het is amper toegankelijk, zonder permanente bewoning en er lopen geen wegen doorheen. In 1985 werd het gebied tot reservaat uitgeroepen. Zo kon men voorkomen dat projectontwikkelaars het als skigebied zouden ontwikkelen.

hommelorchis (Ophrys fuciflora)De eerste dagen verblijven we in de lagere gebieden van de Vercors die in de Drôme liggen. De Drôme kent een mediterraan klimaat en de dorpen leunen qua stijl sterk aan bij deze in de Provence. Het is een echte landbouwstreek. In de vlakkere delen teelt men o.a. granen, aromatische kruiden en lavendel. Op de glooiende hellingen zijn er uitgestrekte, extensief begraasde weilanden, aanplantingen van fruitbomen (vaak abrikozen en noten) en wijngaarden. Deze regio is gekend voor zijn witte, zoete mousserende wijn, de Clairette de Die. Geen favoriet drankje voor ons, … doe ons maar een frisse rosé uit de Provence, maar dit terzijde.

Camping le Gallo RomainWe verblijven in een stacaravan op de camping ‘Le Gallo Romain’ in Barbières, aan de voet van de Col de Tourniol. De erg verzorgde camping kennen we van toen we nog met onze eigen caravan reisden. Vanaf de camping heb je zicht op de steile kam van de Monts du Matin, maar ook op een prachtig orchideeënbiotoop zomaar aan de overkant van straat. Het is een uitgestrekte kalkhelling met afwisselend grasland en kleine struweelbosjes. Het biotoop wordt open gehouden door een kleine kudden wit/beige koeien. Omdat de maand mei in heel West-Europa kouder en natter dan gewoonlijk was, kunnen we hier controleren hoe ver het bloeiseizoen al gevorderd is.

hondskruid (Anacamptis pyramidalis)Na een lange reisdag is het heerlijk om, dicht bij ‘huis’ nog tussen de orchideeën rond te struinen. We vinden er een 15-tal soorten. Doordat het hondskruid (Anacamptis pyramidalis) al in bloei staat en de Ophrys drumana (een endemisch soort die vooral voorkomt in het departement Drôme) al aan haar laatste bloemetjes toe is, merken we dat het seizoen op deze hoogte al behoorlijk gevorderd is. Verder vinden we er o.a bosorchis (Dactylorhiza fuchsii), grote keverorchis (Neottia ovata), bijenorchis (Ophrys apifera), hommelorchis (Ophrys fuciflora), vliegenorchis (Ophrys insectifera), welriekende nachtorchis (Platanthera bifolia), Ophrys druentica, Ophrys pseudoscolopax, soldaatje (Orchis militaris), purperorchis (Orchis purpurea) en aangebrande orchis (Orchis ustulata). Niet slecht voor een eerste kennismaking.

Onze eerste uitstap doen we in zeer goed gezelschap. We hebben afgesproken met Bart, Sandra, Rudi, Guy en dé Vercorskenner bij uitstek Walter om samen enkele gebieden te bezoeken. Zij zijn toe aan hun laatste dag van hun Vercors-trip waardoor we niet alleen een leuke babbel hebben maar nog heel wat interessante tips voor de volgende dagen mee krijgen.

2021-05-28=17-06-12=DSC_1086=NIKON D5300De eerste site die we samen bezoeken is château de Crussol, een middeleeuws fort uit de 13de eeuw, gelegen op een heuveltop in het plaatsje Saint-Péray, net aan de overkant van de Rhône ter hoogte van Valence en dus in de Ardèche. Hoewel het château de Crussol vandaag de dag slechts een ruïne is, is de locatie indrukwekkend. Vanaf de resterende muren is het uitzicht over de Rhônevallei en de omgeving fenomenaal.

Château de CrussolBij orchideeënliefhebbers is de site van Crussol gekend omdat er op de steile hellingen, in de weilanden en bosjes van dit kalksteenmassief heel wat soorten voorkomen. We gaan hier specifiek op zoek naar de welriekende wantsenorchis (Anacamptis fragrans) een soort die de groep de afgelopen week nog niet zag.
Bij het speuren in de omgeving komen we heel wat fraaie soorten tegen zoals op schaduwrijke plekken mooie groepjes paarse aspergeorchis (Limodorum abortivum) en purperorchis. In de graslanden zien we hondskruid met ook een wit exemplaar, Ophrys drumana, soldaatje, hommelorchis, aangebrande orchis, Ophrys pseudoscolopax, drietandorchis, …

Anacamptis fragransHelaas, voor de welriekende wantsenorchis zijn we iets te vroeg, want de planten staan nog in knop. Nu is dat, als dé Vercorskenner met je meereist, geen probleem! Walter weet een plek waar ze zeker in bloei staan. Daarvoor moeten we iets noordelijker langs de Isère zijn in het plaatsje Beaumont-Monteux. De rivier is hier, vlak voor hij in de Rhône uitmondt, gekanaliseerd. Na een korte wandeling langs de oever komt men uit bij de oude bedding en uiterwaarden met een prachtige vegetatie. Naast de groepjes bloeiende welriekende wantsenorchissen, zien we ook hondskruid en de hybride tussen die twee. Verder vallen enkele mooie groepen bokkenorchis (Himantoglossum hircinum) en her en der wat Ophrys pseudoscolopax op.

Anacamptis fragrans x Anacamptis pyramidalisHet is nog vroeg en dus is er nog tijd over voor een derde gebied. De omgeving van Crupies (ten zuiden van Bourdeaux), staat bekend om zijn mergel-kalksteenformaties in de ondergrond met daarop een vegetatie van droge graslanden met hier en daar wat lage struiken. Het is eerst nog wat zoeken om in de grote helling langs de D70 te geraken, maar uiteindelijk belanden we in een super gebied. Feitelijk zijn wij speciaal naar hier gekomen om de Ophrys aurelia te zien. Deze ophrys lijkt wat op de Ophrys drumana, maar is ietsje groter en bloeit wat later. We zien heel veel ophryssen: Ophrys aurelia, hommelorchis en de hybride tussen die twee, Ophrys druentica en de o zo variabele Ophrys pseudoscolopax met zelfs een hypochroom (kleurloos) exemplaar. Maar ook o.a. hondskruid, bokkenorchis, paarse aspergeorchis, aangebrande orchis, purperorchis en welriekende nachtorchis staan hier prachtig in bloei.

Ophrys aureliaOm de dag af te sluiten rijden we nog één kilometer verder naar La Chapelle St.Jean. Dit recent gerestaureerd Romaans kerkje uit de 11de eeuw staat eenzaam op het plateau met uitzicht op de Roubion-vallei. Een mooiere plek om deze leuke dag af te sluiten, met groepsfoto! konden we echt niet vinden.
Het aantal orchideeën dat in deze gebieden voorkomt is fenomenaal. Sommige soorten zijn zo algemeen dat wij vanaf hier nog enkel de speciallekes gaan vermelden.

We kunnen jullie verzekeren: het is heerlijk wakker worden met zicht op de glooiend hellende kalkgraslanden aan de voet van de Col de Tourniol. Naast het feit dat logeren in een huisje op een camping erg corona-proof is, heeft het nog één groot voordeel: ’s morgens levert men op de camping vers brood en croissants. Dus na een heerlijk ontbijt op ons terras en in de zon, vertrekken we naar de 10 km verderop gelegen Col de Tourniol.

2021-05-29=12-20-57=DSC_1129=NIKON D5300De weg naar de col kronkelt zich door het bos naar boven. Het is zaterdag, dus we moeten opletten voor de vele wielertoeristen die hier, al dan niet zwalpend over de weg, naar boven rijden. De bermen zijn erg bloemenrijk. Wij zien o.a. zeer regelmatig wit bosvogeltje (Cephalanthera longifolia) en bijenblad (Melittis melissophyllum). Hoe dichter bij de col, hoe blauwer de bermen worden door de vele Kochs gentianen (Gentiana acaulis). Eens boven verandert het landschap, het krijgt een meer alpien karakter met uitgestrekte bergweiden en nog enkele bomen en bosjes, maar vooral heel veel orchideeën. In de eerste haarspeldbocht na de col vertrekt een wandeling naar de Mirador de Léoncel, een uitkijkpunt. Een prachtige wandeling in een bloemenzee van vlierorchissen (Dactylorhiza sambucina) met een mengeling van zowel gele als rode exemplaren, mannetjesorchis (Orchis mascula), groene nachtorchis (Coeloglossum viride), aangebrande orchis (Orchis ustulata) e.a.. Daartussen staan natuurlijk ook vele andere prachtige planten zoals gentianen, rapunzel, esparcette, vrouwenmantel, ratelaar, veldsalie, kogelbloem, knolsteenbreek, gulden sleutelbloem, en zoveel meer.

2021-05-29=08-52-41=DSC_1101=NIKON D5300Omdat alles erop wijst dat in de lagere gebieden het seizoen al flink gevorderd is blijven wij niet boven, maar dalen wij terug af naar één van de beste orchideeënsites in Frankrijk, nl de komvormige helling aan de voet van de Monts du Matin in Saint-Génis, bij het dorpje Rochefort-Samson. De uitgestrekte kalkhelling is erg afwisselend met grote open graslanden, (droog op de helling, vochtig op de valleibodem), afgewisseld met struiken en kleine bosjes, terwijl de hoogste delen volledig bebost zijn. Zoals overal in de streek gebeurt de veehouderij hier op de traditionele manier, nl een kleine groep koeien die grazen op een uitgestrekt, niet erg verzorgd en onbemest weiland.

Ophrys fucifloraTussen april en september kan men hier tot 35 soorten orchideeën waarnemen. Daarnaast is het niet verwonderlijk dat door de grote aantallen, zowel qua planten als soorten, er ook heel wat hybriden voorkomen, zowel bij de ophrys-als bij de orchissoorten. Men denkt dat het gesloten, komvormige karakter van deze site ervoor zorgt dat insecten niet alleen hun favoriete soort bestuiven, maar min of meer verplicht zijn om ook andere bloemen te bezoeken. Mede daardoor wordt het gebied graag bezocht door binnenlandse en buitenlandse botanisten waarvan velen erg gespecialiseerd zijn in orchideeën en vooral dan in hybriden. Er zijn er zelfs die zich hybridejagers noemen. Daarbij gaan ze ook op zoek naar planten met een genetische afwijking zoals naar de Ophys fuciflora met lipvormige petalen die hier voorkomt. Men heeft deze planten zelfs een bijnaam gegeven: ‘ophrys mickey mouse’.

Ophrys fuciflora

Het is een genot om er rond te wandelen. We trekken dan ook graag nog een extra dag uit om zowel de wandeling aan de oostkant naar de Pas de Bouvaret, als aan de noordwestkant tussen Las Combes en les Pignes te doen.
Helaas is het op naam brengen van de hommelorchis-achtige (Ophrys fuciflora) planten erg moeilijk. Zelfs in de gespecialiseerde boeken vinden wij geen eenduidig naamgeving. We hebben gekozen om de namen die het ‘Collectif de la société Française d’Orchidophilie Rhône-Alpes’ gebruikt, in het door haar in 2012 uitgegeven boek ‘A la rencontre des Orchidées sauvages de Rhône-Alpes’ te volgen.

gouddistel (Carlina acanthifolia)Naast de vele soorten orchideeën en andere fraaie planten valt ons oog regelmatig op de plat op de grond liggende, vrij grote vrucht van een distel: de gouddistel (Carlina acanthifolia). Niet voor niets noemen de Fransen deze plant ‘baromètre’. De vrucht van deze goudgele gronddistel opent zich bij veel zon, en gaat dicht als de luchtvochtigheid stijgt. Daarom wordt ze, vooral in de Drôme en in de Provence, nog altijd op de schuurpoorten gespijkerd om als een soort barometer het weer te voorspellen. Daarnaast zou dit ook helpen om kwade geesten buiten te houden.


Vandaag rijden we de Col de Tourniol wel over. Aan de voet ligt in een idyllische omgeving, het kleine plaatsje Léoncel. Hier stond in het verleden de belangrijke cisterciënzerabdij uit 1137, waarvan enkel de kerk bewaard is gebleven. Het kerkje, nu een historisch monument, is fraai gerestaureerd en straalt rust en eenvoud uit. Enkele boeren en ambachtslui hebben hun kraampje met lokale producten opgesteld onder de bomen. Het levert onmiddellijk een zomers vakantiegevoel op.

wit bosvogeltje (Cephalanthera longifolia)We zijn op weg naar de Col de Bacchus. Onderweg stoppen we in La Vacherie aan de splitsing met de weg richting Col de Limouches. Hier ligt een kleine, maar o zo mooie helling met heel veel harlekijn (Anacamptis morio) en drietandorchis (Neotinea tridentata). Iets verderop, aan het bord langs de weg dat wijst naar ‘gîtes de Valcaris’, moeten we absoluut stoppen. In de wegberm en iets hogerop in een dennenbosje staan honderden witte bosvogeltjes in topbloei met loepzuivere witte bloemen. Nu komt het wel vaker voor dat deze planten, die hun naam te danken hebben aan hun favoriete standplaats, in groep staan, maar zoveel frisse exemplaren zien wij niet elke dag.
De omgeving van de Col de Bacchus bestaat in hoofdzaak uit grote droge graslanden met daartussen kleine bosjes met struiken, zoals jeneverbes en meidoorn. Vlak tegenover het vroegere hotel is het mogelijk om voorzichtig binnen te wandelen in het lager gelegen vochtige deel van een weiland.

Biotoop
Een zee van bloemen in een ongelooflijk mooie kleurcombinatie van wit, alle schakeringen van roze naar rood en hier en daar een gele of blauwe stip. Verantwoordelijk hiervoor zijn o.a. witte narcis (Narcissus poeticus), rapunzel sp., adderwortel, beemdkroon, veldsalie, gulden sleutelbloem, heel veel harlekijn samen met gevlekte orchis (Dactylorhiza maculata), brede orchis (Dactylorhiza majalis), …

Net na de col de Bacchus, ligt links van de weg een grote ‘kalkbult’, die samen met de achterliggende hellingen extensief begraasd wordt door koeien. Hier kunnen wij o.a. stippelorchis (Orchis provincialis) en grote muggenorchis (Gymnadenia conopsea) aan ons lijstje toevoegen.

drietandorchis (Neotinea tridentata)Dat een bende koeien, (op de vindplaats aan de waterput iets verderop rechts van de weg), of een schaapskudde (achter de mesthoop in het dorpje Plan de Baix), voortreffelijk werk leveren, konden we duidelijk vaststellen. Vooral de schaapskudde had haar werk uiterst secuur gedaan en werkelijk alle plantjes afgeknabbeld. Enerzijds wel jammer, maar anderzijds zorgt begrazing ervoor dat de percelen open blijven en de plantenrijkdom blijft bestaan.
Van aan de site aan de mesthoop in Plan de Baix kijkt men uit op de massieve Vellan-rots, een belangrijk herkenningspunt in de omgeving. Nu de site aan de mesthoop kaal gevreten is, hebben wij tijd voor een aangename wandeling naar de top van de rots, waarop een 11 meter hoog ijzeren kruis staat. Eens boven krijg je als beloning een schitterend zicht op de vlakte en de hogere delen van de Vercors.

Aan Croix du VellanGorges d'OmblèzeVanaf Plan-de-Baix loop een weg langs de grote rots van Vellan via de Gorges d’Omblèze, naar een komvormig dal. Eerst loopt de bochtrijke weg nog langs een aantal weilanden, daarna wordt de omgeving bosrijker. Beneden bij het water staat de Moulin de la Pipe. De molen dankt zijn naam aan een molenaar uit het begin van de 20e eeuw, een zware pijproker met de bijnaam ‘Jean de la Pipe’. Nadien werd de molen een herberg en een ontmoetingsplaats voor vissers en jagers, nu zijn het vooral wandelaars en dagjesmensen. Vanaf hier loopt de weg tussen de imposante kalkrotsen met na mekaar twee watervallen: de Petite en Grande Pissoire.
Opmerkelijk is dat het zwak zure water dat hier naar beneden komt, op zijn weg calciumcarbonaat heeft opgelost uit de kalksteen. Op de rotswanden waarover het water valt zit daardoor een dikke versteende laag mos en algen (kalktuf). Iets voor de kloof ligt een mooi weiland omgeven door een dennenbos. Het is niet de grote rijkdom aan planten, maar toch is het boeiend om hier even rond te struinen.


Col Jérôme CavalliDat men ter nagedachtenis iemands naam vereeuwigd in een brug, straat of plein komt vaak voor, maar dat iemand zijn naam geeft aan een col is echt wel ongewoon. Deze eer komt toe aan Jérôme Cavalli, een briljant piloot bij de Franse luchtmacht tijdens de Tweede Wereldoorlog, en afkomstig uit de streek. De pas ligt bovenop een uitgestrekt plateau met grote droge graslanden met daartussen bijna ondoordringbare bosjes van buxus en jeneverbes, maar ook kale stenige plekken. De pas zelf is niet zó soortenrijk. Dit komt door het vrij barre klimaat waar de wind vrij spel heeft.

gewone vlinderhaft (Libelloides coccajus)Voor echt veel soorten en planten moeten we even verder zijn langs de D749 bij het gehucht La Perys. Hier liggen uitgestrekte weilanden waar we een overvloed aan van alles vinden. Deze keer durven wij niet goed de weilanden binnen gaan, want is 2015 werden wij door de boer beleefd verzocht zijn weide te verlaten. Maar geen nood, ook de wegrand is buitengewoon bloemenrijk.

rood bosvogeltje (Cephalanthera rubra)Nog zo’n gekende plek om zeker een keer te gaan kijken is de haarspeldbocht aan de ‘miellerie des chardons bleus’ in Beaufort-sur-Gervanne. In de bocht van de weg staat de honingmakerij en winkel. Hier verkoopt men, onder kwaliteitslabel van het park de Vercors, de honing van diverse imkers. Doordat ze hun korven regelmatig verplaatsen is het aantal soorten honing erg groot. Naast de winkel loopt een weg steil omhoog. Even onder de dennen kijken, en ja, het rood bosvogeltje (Cepalanthera rubra) staat in bloei. Daarnaast is er een klein kalkgrasland met de gebruikelijke soorten.

Daarbij, niet alleen voor planten, maar ook voor vogels en insecten is de Vercors een ontzettend boeiende regio.

Fotoalbum ‘De Drôme 27/05 – 5/06/2021’ weergeven

Cahuita

Fotoalbum ‘Costa Rica 2019 – Cahuita

Gisterenavond was het al donker toen we aankwamen bij de ‘El Encanto Inn’ in Cahuita, ons hotel voor de laatste dagen. De weg van Siquirres, in het binnenland, naar Limón aan de kust is slechts een eenbaansweg en zit overvol met zwaar vrachtverkeer op weg naar de haven Puerto Limón. Stapvoets rijden is eerder normaal dan uitzondering. Om een idee te geven: we reden 3,5 uur over de 150 km. Het is dan ook begrijpelijk dat slechts een fractie van de vele toeristen die Costa Rica bezoeken naar hier afzakt.

PN Cahuita

De Caraïbische kustlijn is zo’n 200 km lang, halverwege ligt de havenstad Puerto Limón. Noordelijk daarvan strekken zich de moerassige regenwouden en zoetwaterlagunes van het Parque Nacional Tortuguero uit. In dit gebied zijn er nauwelijks wegen, enkel kanalen. Ten zuiden ervan ligt de steeds smaller wordende vlakte van Talamanca met fraaie stranden en verschillende stukken koraalrif. Het was hier, bij één van de stranden net ten zuiden van Limón dat in 1502 Christoffel Columbus tijdens zijn vierde reis voor anker ging. ‘Que costa tan rica’: zou hij uitgeroepen hebben, ‘Wat een rijke kust!’, toe hij merkte dat sommige indianen gouden voorwerpen droegen. Helaas bleek dit later zwaar tegen te vallen. Noch aan de kust, noch in het binnenland waren goud of andere rijkdommen te vinden. Nu, 500 jaar na datum, blijkt die rijkdom er toch te zijn, maar dan in de vorm van een rijke natuur.

roodstaartboomeekhoorn (Sciurus granatensis)

Waar de rest van Costa Rica sterk beïnvloed is door de Spaanse cultuur, is dat hier in het zuidoosten helemaal anders. De meerderheid van de mensen heeft een donkere huidskleur en hun ‘roots’ liggen voornamelijk in Jamaica en Nicaragua. Zo’n honderd jaar geleden kwamen ze naar hier om als gastarbeiders te werken aan de spoorlijn tussen San José en Puerto Limón, en daarna op de bananen- en cacaoplantages. Na verloop van tijd creëerden ze aan de Costa de Talamanca hun eigen kleine gemeenschappen met hun eigen cultuur, gebruiken, muziek en taal. Tot twee decennia geleden was de streek praktisch afgesloten was van de rest van het land, dit omwille van een gebrekkige infrastructuur. Pas sinds de jaren 2000 is de weg van Limón tot de grens met Panama geasfalteerd en zijn de dorpen aangesloten op het elektriciteitsnet.

Cahuita / Manzanillo

In de twee dorpen, Cahuita en het zuidelijker gelegen Puerto Viejo, beide erg geliefd bij backpackers en surfers, is die Afro-Caribische cultuur nog duidelijk aanwezig: fel gekleurde houten huisjes, reggae muziek in de cafés en bars, overal afbeeldingen van Bob Marley en marihuana bladen, rondhangende rastafari’s, mannen met dreadlocks en nog wat verdwaalde hippies.
Het centrum van Cahuita, niet meer dan een hoofdstraat en enkele zijstraten, ligt tussen twee stranden. Ten noorden, Playa Negra, een langgerekt strand met zwart zand. Hieraan liggen de verschillende kleinschalige hotels, waaronder het onze. Playa Blanca, met wit zand, ligt in het nationale park. We hoeven dus maar even door het dorp te lopen om bij de ingang te komen.

Hoffmannluiaard (Choloepus hoffmanni)

Na het avondmaal lopen wij door het dorp, op zoek naar de ingang het Nationaal Park om zo morgenvroeg zonder al te veel tijdverlies aan onze wandeling te kunnen beginnen. Groot is onze verbazing als een tweetenige luiaard over de grond kruipt en dan vlak voor onze neus in een boom klimt. Het kruipen was niet elegant en vlot, maar hij geraakte toch goed vooruit. Het is een boom voor een huis, midden in het dorp. De volgende dagen kunnen wij hem steeds terugvinden tussen het gebladerte.
Het Parque Nacional Cahuita werd opgericht om de voor de kust liggende koraalriffen te beschermen en de 12 km lange kustlijn. Deze is een belangrijk broedgebied voor de karetschildpad, de lederschildpad en de soepschildpad.
In tegenstelling tot de andere nationale parken wordt hier geen vast entreegeld gevraagd, maar een vrije gift. Een bewuste keuze in samenspraak met de lokale gemeenschap. Die vreesden dat door een hoge toegangsprijs te vragen de toeristen weg zouden blijven.

PN Cahuita

Het is heerlijk wandelen op het enige pad dat door het gebied loopt. Het regenwoud komt hier tot vlak bij de zee en je blijft heel de tijd in de schaduw onder de bomen maar steeds met zicht op het water, het strand en de branding. Het lijkt wel de ideale locatie voor een reclamefilm: mooi wit strand, palmbomen en een helder blauwe zee.

Hoffmannluiaard (Choloepus hoffmanni)

In het eerste deel, vlak na de ingang, lopen meerdere groepjes met gids. Hier zijn dan ook heel wat dieren te zien: meerdere luiaards, een groep brulapen, kapucijnaapjes en neusberen. De dieren zijn totaal niet schuw. Zo liep een Noord-Amerikaanse wasbeer gewoon voor ons door van het strand naar de bosjes. Ze lijken ook minder brutaal dan in Manuel Antonio waar ze de broodjes en koeken uit de rugzak halen, maar toch rekenen ze ook hier op een deel van de meegebrachte picknick.
Nadat we door een ondiepe lagune gewaad zijn, wordt het erg rustig. De groepen draaien net voordat ze door het water zouden moeten terug. Enkel zij die het 6,5 km lange pad langs het water verder volgen komen hier. Langs het strand zien we verschillende soorten reigers en strandvogels. Op palen in de oceaan zitten fregatvogels, koningssternen en enkele bruine pelikanen.
Het Parque Nacional beschermt niet alleen het landgedeelte maar ook het grootste koraalrif van Costa Rica, dat hier, bij Punta Cahuita, vlak voor de kust ligt.

PN Cahuita

Een koraalrif is een grote verzameling van allerlei soorten koraaldiertjes. Dat zijn weekdiertjes met tentakeltjes die zichzelf inkapselen in een kalkomhulsel. Koraaldiertjes leven in symbiose met microalgen. De algen zoeken bescherming in de structuur van het koraal en zetten licht om in voedingsstoffen die de koraaldiertjes vangen met hun tentakeltjes, of ze maken een soort lijm aan waarmee ze het losliggende koraal bijeen houden. Ook andere zeeorganismen zoals vissen, anemonen, zeesterren, sponzen, kreeften, schelpdieren, wormen en weekdieren zijn dankbare medebewoners van de koraalriffen. Zo zorgen bijvoorbeeld grazende vissen en zee-egels dat de algen het rif niet overwoekeren. De biodiversiteit in koraalriffen is ontzettend hoog, maar tevens ook erg kwetsbaar. Een groot gevaar vormt het gebruik van kunstmeststoffen en pesticiden op de bananenplantages. Het slib van de velden komt na stevige regenbuien via de rivieren in de zee terecht, doet het water vertroebelen en verstoort het fragiele evenwicht tussen de organismen.
Rond het middaguur pauzeren we, natuurlijk, met een plons in het heerlijk warme water. We blijven wel opletten, want de branding is sterk en de stukjes afgebroken koraal die in het water drijven, lijken wel scheermesjes. Verder wandelend hoorden en zagen we ook weer onder andere een groep brulapen, een neusbeer die naast het pad zat en een gestreepte basilisk. Ook vliegen er overal grote vlinders en kruipen er heremietkreeftjes en allerhande soorten krabbetjes rond.

Bij Punta Vargas, de tweede toegang tot het park, kunnen we via een uitstekend onderhouden knuppelpad door en over moerasgebied terug naar de hoofdweg. Daar namen wij de lijnbus die ons in het busstation van het dorp afzette.

kraagplevier (Charadrius collaris)

steenloper (Arenaria interpres)

Dag twee in Cahuita is een zondag en het is opvallend druk op de weg. Zou het een feestdag zijn? We rijden via de kustweg, de enige die er is, van Cahuita verder naar het zuiden. Onderweg stoppen we aan verschillende lagunes en aan een strand bij Puerto Viejo, waar meerdere zwarte gieren rondwandelen.
Puerto Viejo de Talamanca is, tussen december en maart, erg populair bij surfers vanwege de vrij hoge golven die hier zelfs een eigen naam hebben: Salsa Brava.
Het is helemaal geen feestdag, maar een gewone zondag, en dan komen ganse families massaal afgezakt naar de stranden ten zuiden van het dorp. Ongeveer elk plekje op het strand is ingenomen door families die aan het barbecueën of aan het picknicken zijn. Iets eten, wat zwemmen en luieren op het strand, of in de hangmat. Overal klinkt luide muziek uit de, in hun auto’s gemonteerde boxen. Zo brengen ze hier dus hun zondag door! De kans, dat je in die drukte een vogel hoort of dier te zien krijgt is bijna nihil.

Refugio Nacional de Vida Silvestre Gandoca – Manzanillo

Ook verder naar het Manzanillo National Wildlife Refuge en in het park zelf is het ontzettend druk. Sportieve picknickers wandelen blijkbaar graag even door de natuur. Dit grote gebied omvat niet alleen het reservaat maar ook enkele afgelegen dorpjes. Net als in Cahuita strekt het NP zich ook in zee uit en beschermt het een koraalrif en een schildpaddenstrand. Enkel een stuk pad in het begin is goed toegankelijk. Wij lopen langs de kust tot aan een mooi uitkijkpunt. Zodra het pad landinwaarts gaat wordt het moeilijk. Er zijn geen markeringen en het pad ligt er erg modderig bij. Enkel te doen met gids? We rijden dan maar terug richting Cahuita om nog enkele keren een kort stukje langs de kust te wandelen. Maar overal is het druk.

groen-zwarte pijlgifkikker (Dendrobates auratus)

Terug in ons hotel zoeken wij wat verkoeling in en bij het zwembad. Tja eigenlijk moet je in Costa Rica geen vermoeiende wandelingen maken om leuke dingen te zien. Vlak naast ons, in het gras en op de paden zitten leuke groen-zwarte pijlgifkikkers. In de vooravond en in de ochtend laten ze zich goed zien en springen ze in alle richtingen rond . Ze danken hun naam aan het feit dat indianen het giftige huidslijm van deze kikkers op de pijlen smeerden waarmee ze op apen joegen. Niet dat het gif zo sterk is dat het een mens kan doden, maar ze kunnen wel een behoorlijke irriterende reactie opwekken. Afblijven, is de boodschap!

Dit is het einde van onze blog over deze schitterende reis. Tijdens onze terugreis naar San José stonden wij 3 uren stil naar aanleiding van een verkeersongeval, de rest van die dag las je in onze vorige post. En over onze laatste halve dag in San José vertelden wij helemaal in het begin.

Wij vinden deze reis in ieder geval voor herhaling vatbaar.
Hopelijk heeft u wat mee kunnen genieten!

Fotoalbum ‘Costa Rica 2019 – Cahuita

Omgeving Sarapiquí

Fotoalbum ‘Costa Rica 2019 – Omgeving Sarapiquí

Het einde van onze reis nadert. Hoewel …we gaan nog voor drie dagen naar de Caraïbische kust, zo’n 240 km vanuit Van Boco Tapada. Tijdens het eerste stuk van de route hebben we een korte vertraging wegens wegwerkzaamheden. Maar geen probleem, want we hebben vandaag een tussenstop voorzien. Bij het plannen en het reserveren van de hotels wilden we graag 2 dagen in de Selva Verde Lodge, een klassieker onder de birding lodges, doorbrengen. We kregen helaas als antwoord dat alles volzet was. Een fout van hen zo blijkt. Want als we stoppen bij de receptie vertelt men ons dat er kamers beschikbaar zijn. Jammer, maar als tegemoetkoming mogen we wel vrij het domein bezoeken.

Waglers oropendola (Psarocolius wagleri)

Deze lodge ligt tussen de noordelijke hoofdweg en de río Sarapiquí, een zijrivier van río de San Juan. In de omgeving van de rivieren bestond de oorspronkelijke vegetatie vooral uit laagland regenwoud met een grote verscheidenheid aan planten, dieren en insecten. In het verleden zijn echter grote delen daarvan verdwenen en in de plaats zijn er nu zeer veel plantages met koffie, suikerriet, maniok, bananen en cacaobomen.

Heliconia sp.

De rivier is erg gevoelig voor overstromingen en de gebouwen, zoals het restaurant en de kamers van de lodge, zijn op palen gebouwd. We gaan eerst naar de hangbrug over de Sarapiquí rivier. Aan de overkant ligt het regenwoudreservaat dat bij de lodge hoort. Tot voor kort mocht je daar vrij gaan wandelen, maar sinds er een Amerikaan verdwaalde (die pas ’s nachts werd terug gevonden), is het hek op slot. Enkel onder begeleiding mag je en nog in.

Heliconia sp.

We kijken dan maar rond in de botanische tuin en langs de rivier. De bodem is hier en daar nog bedekt met een laagje modder dat is achtergebleven na een recente overstroming. Maar de natuur herstelt hier snel en we zien al jonge begroeiing opduiken. Daarnaast staan er heel veel typische planten die vaak in tropische tuinen worden aangeplant. Zoals heel wat soorten heliconia’s, planten met een grote, decoratieve bloeiwijze. Tussen de felgekleurde schutbladeren groeien de onopvallende kleine, witte, rode, oranje, gele of roze bloempjes. Er zijn soorten met rechtopstaande en soorten met hangende bloeiwijzen. De bloempjes worden bestoven door vleermuizen en vooral door kolibries die tegelijk van de nectar genieten. In de schutbladen van de rechtopstaande bloeiwijzen kan water blijven staan. Deze kuipjes zijn erg in trek als broedplek bij sommige soorten kikkers en bij muggen.

roze banaan

Er staat ook een exotische bananensoort, de uit India afkomstige, roze dwergbanaan. Vroeger werden bananen bij de familie van de heliconia’s gerekend, nu hoort ze taxonomisch tot het geslacht Musa. Deze soort heeft opvallende roze bloemen, gevolgd door kleine harige roze bananen, die zoet en eetbaar zouden zijn. Hoewel, er zitten heel veel kleine harde zwarte zaden in, die de tanden kunnen beschadigen. We proberen het niet en houden het gewoon bij een gele banaan, waarvan gezegd wordt dat ze de goede werking van het zenuwstelsel ondersteunt en de bloeddruk op peil houdt.

Kroonbasilisk (Basiliscus plumifrons)

kroonbasilisk (Basiliscus plumifrons)

Aan het zwembad laat een kroonbasilisk zich van dichtbij bewonderen. Hij is familie van de helmbasilisk en de gestreepte basilisk die we beide al eerder op onze reis zagen, maar deze is groen met licht-blauwige stippen en heeft zowel een kam op de kop als op de rug. Die kam dient voornamelijk om concurrenten te imponeren. Basilisken worden ook wel Jezus Christushagedissen genoemd; dit omdat ze in staat zijn om op hun achterpoten over water te lopen. Ze komen uitsluitend voor in Midden- en Zuid-Amerika.

Norops limifrons op Etlingera elatior

Midden-Amerikaanse agoeti (Dasyprocta punctata)

In de vroege namiddag gaan we wandelen in het deel van de Selva Verde Lodge dat aan de andere kant van de weg ligt. Tegen de helling ligt een kleine restant van het oorspronkelijke regenwoud. Leuk dat we vandaag een aantal typische planten, die we gisteren uitgebreid leerden kennen terugzien. Ook zonder gids stellen we vast dat in het verleden hier bomen weggehaald zijn: gekapt of omgevallen bij een storm. Daardoor valt er meer licht binnen en nemen snelgroeiende lianen onmiddellijk de beschikbare ruimte in. Een van die lianen wordt ‘monkeys ladder’ genoemd; ze is zo bochtig dat je er met wat fantasie treden in ziet. Samen met de andere lianen zorgen ze ervoor dat we nauwelijks vooruitkomen op de paden, we moeten er ons tussendoor wringen. Tja, wij zijn dan ook geen oerwoudhelden zoals Tarzan en Jane die aan lianen door het oerwoud konden slingeren. Net als we willen doorgaan kruist een agoeti ons pad. De Midden-Amerikaanse agoeti die ook wel goudhaas wordt genoemd, leeft op de grond en is actief gedurende de dag. Vaak zijn ze te zien in de buurt van apen welke ze volgen om zo de vruchten die de apen laten vallen te kunnen opeten.

roodoogmakikikker (Agalychnis callidryas)

Ook de Ara Ambugua lodge heeft een mooie tuin en een zwembad waar we in de late namiddag verkoeling zoeken. Bij het restaurant is er een vijvertje waar meerdere kikkers, waaronder de roodoogmaki, zitten te roepen. Na het avondeten doen we ons best om ze te zien, dat lukt ook, maar ze fotograferen zonder flits valt, dat valt niet mee. ’s Anderdaags bij het ontbijt zien we hier een cayennebosral.
Na het ontbijt en een korte wandeling door de tuin rijden we verder.

Río Puerto Viejo

groefsnavelani (Crotophaga sulcirostris)

Onderweg hebben we een stop in Horquetas bij Frog’s Heaven. Hier hebben Jenny en Michel een fotosessie geboekt om kikkers en slangen te fotograferen. Wij gaan ondertussen wandelen in de buurt van de río Puerto Viejo. De weg loopt hier over twee gammele hangbruggen (ook voor auto’s). Bij de tweede, over de río San Rafael worden we toegeroepen door een jong koppel dat verkoeling zoekt in het water onder de brug. Dat wil zeggen: ze gaan met hun kleren aan het water in, en laten zich daarna gewoon opdrogen aan de kant. Waar we vandaan komen? Europa! bélgica! Wauw, uit het land van Hazard, Lukaku, De Bruyne en Courtois! Hij is door het dolle heen. Wij zijn het vergeten, maar hij weet het nog goed: vorig jaar speelden onze ‘diablos’ tegen Costa Rica en wonnen glansrijk met 4-0. In dit voetbalgekke land zijn er televisiezenders die de klok rond alle grote competities uitzenden en voetballers zijn hier echte goden. In zijn enthousiasme nodigt hij ons uit om bij hen en zijn ouders te komen logeren. Dat was ons even te voren ook al aangeboden door de winkelier waar we de auto parkeerden. Pura Vida!

roodkopgier (Cathartes aura)

We lopen door een mooi golvend gebied met vooral weilanden. Van regenwoud is hier geen spoor meer. Na een uurtje keren we om. Op een draad zit een groefsnavelani, en zoals op veel plaatsen vliegen ook hier roodkopgieren. Opvallend is hun rode kop met een korte, ivoorkleurige snavel met daaraan een forse, haakvormige punt. Ook kan men zijdelings dwars door de neusgaten kijken. Het neustussenschot ontbreekt. Of dit de reden is dat deze gier zijn voedsel, rottende kadavers, van op grote afstand kan ruiken, heeft men nog niet kunnen achterhalen.
Maar nu is het tijd om Jenny en Michel terug op te pikken, want het is nog 150 km tot onze laatste stop in Cahuita aan de Caraïbische kust.

kroonbosnimf (Thalurania colombica)

Tijdens de voorlaatste dag, als wij op weg zijn van Cahuita naar San José passeren wij opnieuw hier in de buurt. We stoppen dan bij de Cope, vogelexpert, fotograaf én kunstenaar. Hij heeft de tuin bij zijn huis ingericht voor het fotograferen van vogels. Naast enkele grote bomen en diverse struiken is er ook een kleine poel. Hij is royaal bij het ophangen van trossen bananen en er zijn meerdere suikerwater verdelers opgesteld. Niet te verwonderen dat deze plek erg in trek is bij tal van vogels. Enkele opvallende nieuwe soorten zijn de westelijke langstaartheremietkolibrie, de kroonbosnimf, de Waglers oropendola en een rosse duif.

briluil (Pulsatrix perspicillata)

Ook kent Cope de rustplekken van enkele nacht-actieve vogels. Hij heeft weinig tijd vandaag maar toch wil hij ons een familie briluilen tonen. Zo rijden we samen met hem naar een bosgebied. Kriskras door het bos lopen we achter hem aan tot bij een familie briluilen: pa, ma en het jong naast elkaar diep verscholen tussen de bladeren. Wat leuk!

Fotoalbum ‘Costa Rica 2019 – Omgeving Sarapiquí

Boco Tapada & Laguna del Lagarto Lodge

Fotoalbum ‘Costa Rica 2019 – Boco Tapada & Laguna del Lagarto Lodge

De volgende regio die we willen verkennen ligt in het Noorden van Costa Rica tegen de grens met Nicaragua. De beboste uitgestrekte ‘llanuras’ of laagvlaktes worden doorsneden door vele rivieren. Het klimaat in deze laaglanden wordt beïnvloed door de wind uit de Caraïben. Daardoor is het hier het hele jaar door warm, gemiddeld 26°C, en zeer vochtig. Er valt vier keer de hoeveelheid neerslag van bij ons in België.

ananas (Ananas comosus)

Tot halverwege de 20ste eeuw bleef dit gebied vrijwel onbewoond, waardoor het laagland regenwoud lang intact bleef. Daarna moedigde de regering de ontwikkeling van landbouwbedrijven aan. Sinds eind jaren ’70 wordt er op grote schaal ananas gekweekt door Del Monte. Als lid van de bromeliafamilie is de ananas een geval apart. In tegenstelling tot de meeste andere soorten die op bomen of rotsen groeien, groeit de ananas in volle grond. Het constante, warme vochtige klimaat is ideaal voor de productie. Door het tijdstip van aanplanting over het hele jaar te spreiden kan men elke week van het jaar rijpe vruchten oogsten. Deze ananassen, vol van smaak en extra zoet, vertrekken per vliegtuig naar delicatessezaken in Canada, de USA en Europa.

ananas (Ananas comosus)

Aan de Caribische kant van Costa Rica is er geen weg naar Nicaragua. De grens wordt er gevormd door de río San Carlos en verderop door de río San Juan die een belangrijke biologische corridor vormen. Het gebied is nauwelijks ontsloten en de Laguna de Lagarto Lodge, bij Boca Tapada aan de oever van de río San Carlos is enkel te bereiken via een 50 km lange hobbelige baan. Het is een eenvoudig verblijf, maar met een uitzonderlijke fauna en flora, midden in het regenwoud. De Duitse eigenaar, die oorspronkelijk van plan was hier een landbouwbedrijf te vestigen, besloot in 1974 het aanwezige primair regenwoud te behouden en te beschermen en er een hotel te bouwen in harmonie met de natuur en in samenwerking met de lokale bevolking.

Laguna del Lagarto Lodge

koningsgier (Sarcoramphus papa)

De lodge ligt op een heuveltje, met aan de voet twee lagunes. Daardoor heeft men een schitterend uitzicht op de omgeving zowel vanaf het terras bij de houten huisjes als bij het restaurant. Voor vogelfotografen uit de hele wereld is dit dé place-to-be. Niet alleen zijn er hier heel veel dieren, vooral vogels; ze zijn ook uitstekend te fotograferen. Zo is er een speciale fotohut voor het fotograferen van de koningsgier, en meerdere observatieplatforms voor toekans, oropendola’s, tangaren, parkieten, papegaaien en vele andere grote en kleine vruchteneters. Bijna dagelijks plaatst men vers fruit en bemoste takken zodat de prefecte foto kan gemaakt worden.

halsband-arassari (Pteroglossus torquatus)

zwartsnaveltoekan (Ramphastos ambiguus)

Natuurlijk beginnen we ons bezoek ook bij de observatieplatforms. Op korte tijd zien we heel wat prachtige vogels zoals de zwartborsttroepiaal, blauwe suikervogels, de olijfrugorganist zwartsnaveltoekans, zwavelborsttoekans, halsband-arassari’s en zoveel meer opduiken. Vooral de toekans zijn leuk om te observeren. Deze kleurrijke vogels zijn verwant met de spechten. Dat is te zien aan hun poten waarvan twee tenen naar voren en twee naar achteren zijn gericht. Ze zijn zo’n 50 cm groot en hebben korte vleugels en een vrij lange staart. Ze zijn erg lenig en kunnen zich in alle richtingen op en rond de takken bewegen. Maar het meest opvallende is hun grote snavel die niet echt handig lijkt bij het eten. Eerst moeten ze met de punt van de snavel een stukje fruit pakken, dat moeten ze dan omhoog gooien, weer opvangen en dan pas kunnen ze het inslikken. Dat lukt vrij vaak maar soms grijpen ze net naast en valt het stukje fruit op de grond. Geen erg want daar zitten witsnuitneusberen al te wachten. Volgens recent onderzoek fungeert de snavel van de toekan als een soort van koelingsinstallatie waarmee ze hun lichaamstemperatuur kunnen regelen.

zwavelborsttoekan (Ramphastos sulfuratus)

grote kiskadie (Pitangus sulphuratus)

Ook vliegt hier de grote kiskadie, een vrij algemene, mooie gele insectenetende vogel, die iets roept in de trant van ‘kiskadie’. Maar niet in alle talen hoort men hetzelfde: in Suriname hoort men dat als ‘grietjebie’, in Brazilië wordt dat ‘bem-te-vi’ en in Spaanstalige landen is het ‘bien-te-veo’, wat zoveel betekent als ‘goed je te zien’!

halsband-arassari (Pteroglossus torquatus)

Bij de lodge horen ook zo’n 10 km wandelpaden door het regenwoud. Je mag er vrij gaan wandelen, op voorwaarde dat je rubber laarzen aantrekt en een stok meeneemt. Beide zijn echt wel nodig. De bodem bestaat uit een soort rode vochtige klei, waarin je bij elke stap bijna tot aan je enkels zakt. Door de stok te gebruiken kan je jezelf recht houden op het gladde glibberige pad en kom je niet in de verleiding om je vast te pakken aan een of andere tak. Dat is namelijk gevaarlijk omdat er zich slangen of bijtende insecten op schuil kunnen houden. Als snel halen we de gids in die met 3 dames op pad is. We sluiten ons bij hen aan. De gids, een local die opgeleid werd in San José, is zeer vakbekwaam. Hij vertelt ons dat het laaglandregenwoud het ‘echte’ regenwoud is, maar ook het meest bedreigd is door de houtkap en de oprukkende landbouw. In tegenstelling tot bossen in gematigde gebieden, is in het regenwoud de vruchtbare humuslaag erg dun. Insecten, bacteriën en schimmels breken het organische afval zeer snel af zodat de voedingsstoffen direct weer door de bomen en planten worden opgenomen. Als de begroeiing wordt gekapt spoelt de dunne humuslaag snel weg en blijft er vrij snel een onvruchtbare bodem over.

Baltimoretroepiaal (Icterus galbula)

bisschopstangare (Thraupis episcopus)

Ook maakt hij ons attent op de verschillende etages in het bos. Wat natuurlijk onmiddellijk opvalt is dat het erg donker is. Slechts 5 tot 10 % van het zonlicht geraakt tot beneden, waardoor er op de bodem maar weinig groeit: enkel wat mossen en varens die zich aangepast hebben en heel veel paddenstoelen. Jonge bomen en struiken houden op met groeien als ze ongeveer 3 m hoog zijn, ze moeten dan wachten tot er ooit een grote boom omvalt om dan een groeispurt te starten. De hoge bomen worden tot 30 meter, de verscheidenheid aan soorten is enorm, daarbij is elke boom ook nog eens gastheer voor wel honderd kleinere planten als mossen, varens, klimplanten, orchideeën en bromelia’s. Vaak zijn de kronen met elkaar verbonden door lianen en andere klimplanten. Het is dan ook in de kruinen van die bomen dat de meeste dieren leven. Zoals slingerapen, die hun staart als vijfde hand gebruiken om zich vast te grijpen aan de takken. Of leguanen die als zonaanbidders boven op de kroonlaag gaan liggen en er ook hun voedsel in de vorm van bladeren, knoppen en bloemen vinden. Ook leven boven onze hoofden tientallen soorten boomslangen die zich heel snel voortbewegen en waarbij sommigen, als ze zich plat, maken van boom naar boom kunnen ‘vliegen’. Kenmerkend voor de vogelsoorten die hier leven is dat ze vaak korte vleugels hebben zodat zij met gemak door de dichte begroeiing kunnen vliegen.

roodoorpapegaai (Pyrilia haematotis)

olijfrugorganist (Euphonia gouldi)

geelkeelorganist (Euphonia hirundinacea)

Het is natuurlijk jammer dat we dat niet kunnen zien. De allerhoogste bomen kunnen wel tot 70 m hoog worden. Op die hoogte zijn de klimatologische omstandigheden heel erg verschillend van die vanop de bodem. Daarboven is er een soort van woestijnklimaat met veel zon en een relatief lage luchtvochtigheid door de stevige wind die er waait. Als aanpassing daaraan hebben de meeste bomen kleine leerachtige bladeren. Ook moeten die woudreuzen ervoor zorgden dat ze stevig verankerd zijn in de zompige bodem, zo werken de plankwortels als steunberen bij het overeind houden van de boom. Net als we de boomkruinen staan te bewonderen slaakt één van de twee jonge dames die voorop lopen een ferme gil. We zien nog net een fer-de-lance-slang wegsluipen. Behoorlijk groot, maar toch heel wat kleiner dan deze die wij enkele dagen geleden in het NP Carara zagen. De gids is er even niet goed van. Vooreerst wegens de erg giftige slang maar ook omdat de twee vrouwen voorop liepen. Dat mag absoluut niet. Het is de bedoeling dat de gids steeds voorop loopt. Hij weet te vertellen dat een slachtoffer van een slangenbeet zo snel mogelijk naar het ziekenhuis in San José moet gebracht worden. Daarbij telt elke minuut. Als er vervoer ter plekke is kunnen de gevolgen nog meevallen, maar als men diep in het bos is, of er eerst een ziekenwagen moet komen en er geen helikopter te beschikking is, kan de afloop fataal zijn.

aardbeikikker (Oophaga pumilio)

Tussen de bladeren op de grond zien we op meerdere plekken aardbeikikkertjes zitten. Piepklein zijn ze, max 2à3 cm lang. Ze behoren tot de pijlgifkikkers; een groep van kleine fel gekleurde kikkers met een erg giftige huid. Deze hier wordt ook wel ‘blue jeans poison dart frog’ genoemd vanwege het rode bovenlijf en de donkerblauwe onderkant. Pijlgifkikkers zijn befaamd voor hun broedzorg. Zo legt een vrouwtje slechts 5 tot 10 eitjes op een vochtige plek. Deze eitjes worden door beide ouders goed bewaakt en vochtig gehouden. Eens het kikkervisjes zijn worden ze elk naar een eigen poeltje of een met regenwater gevulde kelk van een bromelia gebracht. Daar legt het vrouwtje dan regelmatig onbevruchte eitjes die als voedsel dienen. Schattige beestjes, maar toch raak je raakt ze beter niet aan want ze hebben een erg giftige huid.

brilkaaiman (Caiman crocodilus)

Na het avondeten worden we aangesproken door Henri, sinds jaar en dag nachtwachter op het domein. Hij nodigt de gasten uit om, stipt om half 8, met hem mee te lopen naar de lagune om snoepjes, in dit geval stukjes kip, uit te delen aan de kaaimannen. Terwijl hij met zijn lamp over de lagune schijnt zien we hun ogen blinken in het water. Als hij ze roept komen de anders zo schuwe beesten aangezwommen: Agresivo, Eva, ‘mama Hässlich’ en ‘Fräulein kleine dikke’. Ze komen gewoon uit het water en gaan op de baan liggen om een stukje kip op te halen. Het is natuurlijk een show, maar toch ook indrukwekkend als zo’n beest op een meter van je af komt liggen.

Kastanjespecht (Celeus castaneus)

Dag twee begint met …regen. Na het ontbijt brengen we een bezoek aan Adolfo’s tuin. Rondom het huis staan er heel wat bomen en struiken waartussen feeders staan die zeer veel kleinere vruchten etende vogels aantrekken. Men heeft ook een speciale opstelling om kolibries te fotograferen, leuk, maar ons fotomateriaal is daar niet echt geschikt voor; door het sombere weer is er veel te weinig licht.
In afwachting dat het wat opklaart toont men ons enkele bakken met slangen die in de omgeving gevangen zijn, zoals de fer-de-lance-slang, een Midden-Amerikaanse koraalslang, een gele en een groene wimpergroefkopadder. In de top 10 van de meest dodelijke dieren van Costa Rica staan deze op plaats 1, 2 en 3; dus voor de krokodil, poema en jaguar. Op verzoek en mits betaling worden opstellingen gemaakt om deze dieren te fotograferen Voor ons mogen ze rustig in de bakken blijven zitten.

witnekkolibrie (Florisuga mellivora)

roodrugtangare (Ramphocelus passerinii)

Als het wat opklaart onderneemt Felix toch enkele pogingen om vogels te fotograferen, de resultaten zijn te zien in het fotoalbum.
Prachtig en zo dichtbij komen heel wat vertegenwoordigers van de familie van tangaren of tanagers zoals ze in het Engels genoemd worden voor. Het zijn kleine tot middelgrote vogels die erg mooi gekleurd zijn. We zien onder andere de roodrugtangare, de palmtangare, de bisschopstangare, en de purpermaskertangare. Ook komen er twee soorten spechten, de zwartwangspecht en de kastanjespecht smullen van het verse fruit, in hun geval van een opengesneden kokosnoot.
Na twee uur besluiten we terug te rijden naar de lodge om met een kano te gaan varen op de lagune. Rustig peddelen we aan de rand van het groene oerwoud. We glijden langs een Mexicaanse tijgerroerdomp en een groene reiger. Ook vliegt er de Amerikaanse Reuzenijsvogel. Wat een stilte!

Mexicaanse tijgerroerdomp (Tigrisoma mexicanum)

Al voor twee uur staat onze gids klaar om enkel met ons twee het oerwoud in te trekken. Hij loopt vandaag een ander parcours dan gisteren. Onderweg vertelt hij over de verschillende soorten bomen en stuiken en waarvoor ze gebruikt worden. Bladeren tegen tandpijn, schors als middel tegen brandwonden, lianen als natuurlijke antimuggenmiddel. De mensen uit de buurt gaan hier niet naar de apotheek als ze ziek zijn maar naar het bos. Een kwart van alle huidige geneesmiddelen bevat plantaardige stoffen en ongeveer de helft hiervan is van oorsprong afkomstig uit het regenwoud. Ook hier in het bos zijn onderzoekers van verschillende universiteiten regelmatig te gast.

Hotlips

We bekijken ook enkele algemene soorten van de struiklaag zoals aronskelken en de tot de familie van de banaan behorende heleconia’s en wilde gembers. Erg leuk is ook de psychotria elata, een vuurrode bloem die lijkt op een stel lippen en die ook bekend is onder de naam ‘hot lips’. Tijdens deze wandeling hebben wij een zeer mooie waarneming van een koppel koningsspechten en van een groepje ‘grote amazone’ papegaaien. Maar eerst stopten wij bij de baltsplek (het lek) van de geelbroekmanakin. Helaas is het niet het seizoen en komt deze vogel zijn ‘moonwalk’ niet tonen.

bladsnijdermier (Acromyrmex coronatus)

Net als op andere plekken in het regenwoud lopen er ganse kolonnes mieren met stukjes blad. Het zijn parasolmieren en behoren tot de groep van de bladsnijdersmieren. Ze knippen met hun kaken stukjes blad af en dragen deze dan als een soort van parasol naar hun ondergrondse nest. Op die manier kunnen ze in korte tijd een boom volledig ontbladeren. In het nest worden de bladeren door kleinere werkstermieren fijngekauwd tot bladermoes waarop de koningin een schimmelcultuur aanbrengt. De sporen van de schimmel wordt geoogst en dient als voedsel voor de mierenlarven en de mieren die uitsluitend in de mierenhoop verblijven.
We zouden nog uren kunnen door wandelen, maar helaas het wordt al donker en ja hoor …het begint te regenen.

Fotoalbum ‘Costa Rica 2019 – Boco Tapada & Laguna del Lagarto Lodge

Parque Nacional Volcán Arenal

Fotoalbum ‘Costa Rica 2019 – Parque Nacional Volcán Arenal

In vogelvlucht bedraagt de afstand tussen Santa Elena bij Monteverde en de voet van de Arenal vulkaan slechts 40 km. Met de auto is dat 125 km, of zo’n 3,5 uur; dit omdat we helemaal rond de Laguna de Arenal moeten rijden. Dit stuwmeer is ontstaan nadat men in 1973 een 88 m lange en 58 m hoge dam heeft gebouwd, daar waar de Río Arenal door een steile kloof naar beneden stroomde. Het is het grootste meer van Costa Rica met een lengte van 32 km bij een maximale breedte van 5 km en bedient de grootste hydro-elektrische centrale van het land. Vanaf Santa Elena hobbelen wij 50 km over een onverharde weg vol met putten en plassen. We rijden door een prachtig groen berglandschap. Vanaf Tilarán, waar men een groot windmolenpark met meer dan 100 molens heeft gebouwd, is de weg, met duizend en één bochten, in prima staat. Over het water waait constant een stevige wind vanuit de Caraïbische Zee, waardoor het meer ook erg geliefd is bij windsurfers.

Laguna de Arenal

De volgende dagen gaan we logeren in de buurt van de Arenal vulkaan. Midden in een groot natuurpark ligt deze perfect kegelvormige vulkaan .Kenners beweren dat dit een van de mooiste vulkanen op aarde is. Maar hij is lang niet altijd zichtbaar. Door zijn hoogte van 1670 meter blijven er vaak wolken tegen de vulkaan hangen, waar dan weer regen uit valt. Tot 29 juli 1968 was men ervan overtuigd dat El Arenal een dode vulkaan was. De bewoners van de streek zelf zagen El Arenal zelfs niet als vulkaan, maar als een gewone berg. Dit misverstand werd pijnlijk duidelijk toen na 3000 jaren rust de vulkaan ontplofte, zonder enige waarschuwing vooraf. Meerdere dorpjes in de omgeving werden verwoest en bedolven onder stenen, as en lava. Daarbij vielen er 87 slachtoffers.

Volcan Arenal

Tot en met het najaar van 2010 waren ’s avonds geregeld hete, rode lavastromen en rondvliegende brokstukken te zien. Dat is nu niet meer het geval want sindsdien is hij ‘slapend’. Wel wordt de situatie nauwlettend in het oog gehouden door vulkanologen.

Geelpootsuikervogel (Cyanerpes lucidus)

blauwe suikervogel M (Cyanerpes cyaneus)

groene suikervogel M (Chlorophanes spiza)

Ook vanuit de Arenal Observatory Lodge, waar we de twee volgende nachten zullen verblijven, was het spektakel elke nacht te zien. De lodge, oorspronkelijk in 1987 gebouwd als werkplek voor geologen van verschillende universiteiten, werd in 1991 omgebouwd tot luxe hotel met kamers die uitzicht hebben op de vulkaan. Door de afgelegen ligging vlak naast het Parque Nacional Volcán Arenal en op de ideale hoogte van rond de 700 m komen zowel de dieren van de laaglanden als van de hooglanden hier voor. De vogelobservatie is ronduit spectaculair en veel makkelijker dan in het regenwoud. Op het uitgestrekte domein dat zowel bos als tuinen omvat zijn er 11 km uitgezette wandelpaden, meerdere uitkijkpunten, en een 28 meter hoge uitkijktoren. Daarnaast heb je ook nog hangende bruggen, een kikkervijver en zelfs een klein museum in verband met de vulkaan.

rooddijpitpit V (Dacnis venusta)

Van op het terras van het restaurant heb je een prachtig uitzicht, niet alleen op de vulkaan maar ook op de Laguna de Arenal. Ook kan je van op ooghoogte en vanop slechts enkele meters heel wat fraais waarnemen bij het fruit dat ze daar dagelijks ophangen. Naast de vele soorten tangaren zien wij hier ook halsband-asassari’s en meerdere Montezuma oropendolas. Deze laatste zijn tamelijk grote zangvogels met felgele staarveren. De staartveren zijn net als bij andere oropendolas felgeel gekleurd. Het mannetje zingt een luid, gorgelend lied terwijl hij voorover buigt, de staart aanspant, de vleugels spreidt en zich als een pendel rond zijn tak laat vallen. Oropendola betekent dan ook gouden pendelaar.

Montezumaoropendola (Psarocolius montezuma)

Op het gazon onder de feeder zijn vaak heel andere soorten te zien die zich te goed willen doen aan de restjes banaan en papaja die op de grond vallen. Ook komen daar graag witsnuitneusberen en hoenders zoals de bruine hokko (Crax rubra) en het kuifsjakohoen (Penelope purpurascens) op af.

Onze verkenning van de tuin moeten we in twee keer doen. Onze eerste poging strandt al na 200 m door een stevige regenbui. Gelukkig kunnen we schuilen in het kleine museum ivm de vulkaan. Men heeft er naast de onderzoeksresultaten van de wetenschappers ook ooggetuigenverslagen, foto’s en krantenknipsels van de uitbarstingen. Ook kan men hier de huidige seismische activiteit van de vulkaan volgen.
Later op de middag lukt het ons wel om door tuin te wandelen. Naast de fraaie planten zijn er ook heel veel kleinere vogels te bewonderen zoals verschillende kolibriesoorten en de drie soorten suikervogel: de groene suikervogel, de blauwe suikervogel en de geelpootsuikervogel. Deze felgekleurde kleine vogeltjes hebben een lange, gebogen snavel. Wat dat betreft lijken ze wel op kolibries, maar daar zijn ze geen familie van.

roodoogmakikikker (Agalychnis callidryas)

In een van de beken die door het park lopen heeft men een kikkervijver aangelegd. Daar zien we tussen het gebladerte een roodoogmakikikker zitten. Daar het een nachtactief dier is slaapt hij overdag. Tijdens zijn slaap heeft hij een membraanachtig ooglid over het oog en is de rode kleur niet te zien. Het is een van de bekendste kikkers, zo fotogeniek dat je bijna geen boek van Costa Rica kan vinden of deze kikker staat op de omslag.

Als we na het avondeten terug gaan kijken zijn ze actief, en kunnen we hun bont kleurpatroon met hun grote felrode ogen en oranje tenen, zien. De kikker is vooral groen van kleur met in min of meerdere mate blauwe flanken met geel witte strepen. De intensiteit van de groene kleur is afhankelijk van de temperatuur en van zijn gemoedstoestand. Van onder de paraplu nemen wij enkele foto’s met onze smartphone.

Jenny Verjaart

Er is er eentje jarig, hoera, en het is Jenny!
Na de felicitaties en het ontbijt gaan we om half negen mee met de geleide ochtendwandeling voor de gasten van de lodge. Eerst maken we een ommetje langs het badhuis van het zwembad. Daar heeft een van de tuinmannen tegen de muur een wimpergroefkopadder (Bothriechis schlegelii) gezien. De groefkopadders hebben een groef schuin onder ieder neusgat. Met dit zesde zintuig, een beeldvormende orgaan, werkend met infrarood licht, kunnen ze hun prooien zelfs in volstrekte duisternis gemakkelijk ‘zien’. De Nederlandse naam is dan weer een verwijzing naar de twee puntige schubben boven beide ogen die als wimpers naar voor steken. We schatten dit exemplaar op 50 cm. Om de gasten gerust te stellen vertelt de gids dat deze slang een passieve jager is en dat ze uren en zelfs dagen roerloos wacht tot een prooi binnen bereik komt. Echt gerust zijn we niet, want na de wandeling lezen we dat er jaarlijks tientallen meldingen zijn van sterfgevallen naar aanleiding van een beet van deze slang.

wimpergroefkopadder (Bothriechis schlegelii)

Eerst wandelen we door een deel van de tuin dat we al van gisteren kennen. Ook nu zien we bij de vijver een roodoogmakikikker. Daarna gaat de wandeling verder door vooral secundair regenwoud.
Dit bos wordt secundair genoemd, omdat het oorspronkelijke bos in het verleden ernstig verstoord werd door de uitbarsting van de vulkaan en meer recentelijk door stormschade. Het is de bedoeling in de toekomst niet meer in te grijpen zodat het zich kan herstellen. Een proces dat 40 jaar tot enkele eeuwen kan duren. Onderweg zien we een slapende luiaard, een mantelbrulaap en komen we nog een familie witsnuitneusberen tegen. Ook zien wij enkele uitzonderlijke vogels; zoals o.a. een roodstaartglansvogel, een westelijke witbefmanakin, een zwartsnaveltoekan en een breedvleugelbuizerd.
Daarna lopen we over een glibberig pad naar de Danta waterval. Verder wandelen we over een hangbrug naar de boerderij die bij de lodge hoort. Verrassing, er staat een tractor met rijtuig klaar. Met dit luxe voertuig worden wij terug naar ons vertrekpunt gebracht.

Mistico Arenal Hanging Bridges

Mistico Arenal Hanging Bridges

Voor de namiddag hebben we een geleide wandeling in het Mistico Arenal Hanging Bridges Park geboekt. Daarvoor moeten we terug rijden naar het meer, over de dam en dan nog enkel kilometers het bos in. Hier heeft men een botanische tuin aangelegd en daarnaast heeft men in het regenwoud een 12 tal hangende bruggen geplaatst. Bij enkele ervan heeft men het gevoel door de boomkruinen te wandelen. De wandeling start in de tuin, op de plek waar vroeger een boerderij was. Daarna gaat het verder het dichte, schaduwrijke bos in. In dit geval is een gids wel handig. Zo zagen we onder andere 2 slangen, 2 soorten uilen, 3 soorten vleermuizen, kikkers, enkele brulapen en veel vogels. Wat opvalt zijn het grote aantal boomvarens die hier staan. Volgens de gids een overblijfsel van de tijd van de dinosauriërs.
Ook hangen hier de bomen vol met mossen, orchideeën en zien we heel veel bromelia’s. Wij kennen de bromelia’s vooral als kamerplant, maar hier groeien ze op bomen. Ze zijn goed te herkennen aan de vaak stugge, wasachtige bladeren die in kransvorm staan. Binnen die krans verzamelt zich water met daarin bladafval en kleine insecten. Deze worden door enzymen omgezet in mineralen en vormen zo de voeding voor de plant. Bij soorten waarbij de enzymen ontbreken wordt het hart van de plant bewoond door eencellige diertjes, insectenlaven, wormen en soms jonge salamanders en kikkers.

Mistico Arenal Hanging Bridges

Waren we nog vertrokken met dichte nevel, ondertussen is het opgeklaard en zien we bij het einde van de wandeling zelfs de vulkaan in de verte. Een leuke wandeling en nu terug naar de lodge, want Jenny trakteert voor haar verjaardag! Gezondheid!

Fotoalbum ‘Costa Rica 2019 – Parque Nacional Volcán Arenal

Monteverde in de mist

Fotoalbum ‘Costa Rica 2019 – Monteverde in de mist

De omgeving van Monteverde, waar we de volgende 2 dagen verblijven, is een unieke plek in het hart van Costa Rica en wereldberoemd omwille van zijn nevelwouden.
Door de ligging, op de kam van de Coridellera de Tilarán, ook wel de Continental Divide genoemd, botsen zowel de warme opstijgen lucht uit de Caribische kant, als die vanuit de Pasifische kant tegen de bergflanken. De lucht koelt af, en het vocht dat ze meevoeren condenseert. Zo ontstaan dikke, laaghangende wolken die de beide kanten van de top in een quasi eeuwige nevel hullen. Hard regenen doet het bijna nooit, motregen valt er des te meer, daardoor hebben nevelwouden het hele jaar door bijna 100 procent luchtvochtigheid.

Lessons motmot (Momotus lessonii)

Midden in dit prachtig gebied ligt het dorpje Santa Elena, een heel klein bergstadje, waar drie wegen samenkomen, en waardoor het prima gelegen is om de omgeving te verkennen. Het dorp werd in 1951 gesticht door een groep van 11 Quaker-families uit Alabama, die de dienstplicht in Amerika wilden ontlopen. Net daarvoor had Costa Rica zijn leger afgeschaft, en tevens moedigde de regering buitenlanders aan om het land te komen ontwikkelen. Ze kozen dit vrij afgelegen gebied voornamelijk omwille van de vruchtbare en betrekkelijk goedkope grond. De families, die in de V.S. leefden van de melkveehouderij en de bijhorende zuivel, deden hier hetzelfde. Naast de succesvolle Monteverde Cheese Factory richtten ze ook de Cloud Forest School op. Tegenwoordig is het een tweetalige school (Spaans/Engels) ten dienste van de lokale gemeenschap – zowel Quakers als lokale Costa Ricanen – ,van kleuter- tot middelbare school. De gemeenschap, die zich altijd al heeft ingezet voor de natuur, nam ook de vooruitziende beslissing om een groot gebied te beschermen.

smaragd-arassari (Aulacorhynchus prasinus)

Nu bestaat het nevelwoud van Monteverde uit 3 reservaten. Het Monteverde Cloud Forest Reserve (Reserva biológica Bosque Nuboso Monteverde) is het meest bekend en werd gesticht door een groep wetenschappers. Het Santa Elena Cloud Forest Reserve (Reserva Bosque Nuboso Santa Elena), wordt beheerd door de gemeenschap van Santa Elena. De opbrengsten worden gebruikt voor natuurbehoud en onderwijs. Het derde, het Children’s Eternal Rain Forest (Bosque Eternos de los Niños – ‘het eeuwige bos van kinderen’) is nog in volle ontwikkeling, en is een uniek project. Het initiatief ging uit van een groep Zweedse schoolkinderen, die wereldwijd geld inzamelden om een deel van het regenwoud aan te kopen en te beschermen. Verworven met donaties van kinderen uit 44 landen is het momenteel het grootste privé-reservaat in Costa Rica.

bruine gaai J (Psilorhinus morio)

We verblijven hier in de comfortabele Cala lodge, even buiten het centrum en omgeven door een mooie tuin. Bij aankomst gaan we onmiddellijk kijken bij de feeders aan het terras. Het is een op- en afvliegen van allerlei vogels die komen smullen van het fruit dat uitgestald ligt. De meerderheid van de vogels in Monteverde zijn vruchteneters. Het zijn spectaculair gekleurde vogels, die hier veel gemakkelijker te zien zijn dan tussen de dichte begroeiing in het woud. Zo zagen we er van dichtbij o.a. de Lesson’s motmot, de smaragd-arassari, jonge bruine gaaien, een eekhoornkoekoek, meerdere soorten tangaren, ….

Monteverde Orchid Garden

Monteverde Orchid Garden

Monteverde Orchid Garden

De Monteverde-regio staat ook bekend als het gebied met het grootste aantal orchideeënsoorten ter wereld. In de namiddag gaan we naar de Monteverde Orchid garden. Orchideeën vormen een grote plantenfamilie met ongeveer 25 000 soorten. Ze groeien over bijna de hele wereld maar verreweg het grootste aantal soorten komt in de tropische en subtropische gebieden voor. Voor Costa Rica schat men het aantal op ca. 1400. De Europese soorten zijn allemaal terrestrische soorten, die zoals de meeste planten met hun wortels of wortelknollen in de grond groeien. Slechts enkele van de in Costa Rica voorkomende soorten groeien in de aarde, het merendeel zijn epifyten. Ze groeien in de tropische gebieden hoog in de bomen, daarbij onttrekken ze geen voedsel aan de bomen en zijn het dus zeker geen parasieten zoals soms wordt beweerd. De wortels hangen vrij in de lucht en zijn blootgesteld aan regen en wind. Ze krijgen hun voedsel via mos en varens die op de schors of op de verteerde bladeren groeien. In de Orchid garden zijn er ruim 400 soorten te zien uit de verschillende ecosystemen die Coste Rica rijk is. Ze staan niet allemaal in bloei, maar toch een hele boel. Bij het binnenkomen in tuin krijg je onmiddellijk een loep om de details te kunnen bewonderen of om de kleine micro soorten te kunnen zien, zoals de Platystele jungermanniodes. Deze heeft bloemen met een diameter van slechts 2.1mm en is hiermee ’s werelds kleinste orchidee. Onmiddellijk wordt dan ook het idee dat orchideeën mooie grote opvallende bloemen hebben bijgesteld. Vele tropische soorten hebben kleine, slechts enkele mm grote bloempjes.

Monteverde Orchid Garden

We hebben in de morgenuren een geleide wandeling gereserveerd in het Santa Elena Cloud Forest Reserve. Vanuit het dorp moeten een 5-tal km noordoostwaarts, via een steile onverharde weg. Dat is een bewuste keuze van de parkleiding, men wil geen betere weg voorzien om het aantal toeristen toch min of meer in te perken. Onder een regenponcho gaan we op stap.

Het lijkt wel een sprookjes bos. Onze gidse vertelt dat door de horizontale regen (wat een leuke naam voor de mist en motregen) er een humuslaag van wel 6 cm op de stammen en takken van de bomen zit.

Santa Elena Cloud Forest Reserve

kaalpootschreeuwuil (Megascops clarkia)

Ook vertelt ze over de zeer hoge biodiversiteit in het nevelwoud en de snelle veranderingen in het klimaat, die stillaan problematisch worden. Zo stelt men stelt vast dat de neerslag jaar na jaar vermindert terwijl de temperatuur stijgt. Daardoor stijgt ook de hoogte waarop de nevels zich vormen, wat dan weer een invloed heeft op de bomen, planten en de dierenpopulaties. Zo gaan onderzoekers er vanuit dat de gouden pad, een pad die alleen in Monteverde voor kwam en sinds 1989 uitgestorven is, een slachtoffer is van de klimaatverandering.
Dank zij haar zagen we in de de boomkruinen onder andere een kaalpootschreeuwuil, waarvan we een foto hebben die door de gidse gemaakt werd. Verder nog halsbandzanger, meniezanger, purperkeeljuweelkolibrie, glansvlektangare, grijsrugdwerglijster, bergdwerglijster, grijze boswinterkoning, geelbuiktiran en de breedvleugelbuizerd. Allemaal ‘specialekes’. Helaas geen foto’s, want de nevel verdoezelt alle details en kleuren.

De quetzal die hier ook voorkomt zagen we echter niet. Buiten het broedseizoen vertoeven ze in lager gelegen plaatsen aan beide zijden van de Continental Divide. Wel toonde de gids een nestholte met daarop een camera gericht. Tijdens het broedseizoen van april tot juni volgt men hun doen en laten om extra kennis te verwerven.

violette sabelvleugel (Campylopterus hemileucurus)

purperkeeljuweelkolibrie (Lampornis calolaemus)

Het grootste verschil met het regenwoud is dat in een nevelwoud de bomen een stuk kleiner zijn, de bomen in de bovenlaag zijn slechts rond 25 m hoog, terwijl dat in het regenwoud gemakkelijk het dubbele kan zijn. Er staan veel verschillende soorten bomen, allemaal behangen met korstmossen, mossen, bromelia’s en orchideeën. De zeer hoge luchtvochtigheid is immers ideaal voor de groei van epifyten.
Na een stevige klim kom je uit in de buurt van de kam. Door de stevige wind worden de bomen hier minder hoog. Theoretisch kan je hier vanaf de uitkijktoren, die men er recent geplaatst heeft, beide oceanen zien. Helaas reikt het zicht vandaag slechts enkele meters ver.

blauwstaartamazilia (Amazilia cyanura)

We rijden nog naar de ingang van Monteverde Cloud Forest Reserve. Daar heeft men bij het terras van een souvenirwinkel en bijhorend cafetaria suikerwaterverdelers opgehangen. Ze werken als magneten op de kolibries die af en aan vliegen en helemaal niet schuw zijn. Je kan hier werkelijk blijven kijken. We zagen o.a. de violette sabelvleugel, purperkeeljuweelkolibrie, groenkruinbriljantkolibrie, kleine violetoorkolibrie, blauwstaartamazilia en suikerdiefjes. In het nevelwoud zijn heel wat planten voor de bestuiving afhankelijk van de kolibries.

De namiddag sluiten we af met een wandeling door de tuin van het hotel. Heerlijk!

Fotoalbum ‘Costa Rica 2019 – Monteverde in de mist

Rincón de la Vieja

Fotoalbum ‘Costa Rica 2019 – Rincón de la Vieja’ weergeven

Onze volgende bestemming is het nationale park van Rincón de la Vieja, dat rondom de gelijknamige vulkaan ligt. Deze heeft twee toppen: de Rincón de la Vieja zelf, die drie kraters en een lagune heeft en de Santa Maria. Vanuit de Von Seebach krater stijgen stoomwolken op, die aangeven dat de vulkaan nog steeds actief is. Tot enkele jaren geleden liep er een wandelpad naar die krater, maar dat is nu afgesloten wegens té gevaarlijk. De laatste grote uitbarsting vond plaats in 1966 en de laatste kleinere uitbarsting van de Rincón de la Vieja-vulkaan zelf was in 2017. Op de flanken ontspringen maar liefst 30 riviertjes en beken. Het beschermen van de watervoorraad, onmisbaar voor de landbouw, was de belangrijkste reden om het park te stichten. In 1999 werd het toegevoegd aan de werelderfgoedlijst van de UNESCO.

geothermische activiteit

Door de boottocht van deze morgen en het bezoek aan de vissershaven van Tárcoles is het al middag als we doorrijden. We rijden nu weer op de Carretera Interamerica, verder naar het noorden. Een beetje saai, want 200 km rechtdoor. Net als overal in Costa Rica mag je ook hier niet sneller rijden dan 80 km/u. Op het te snel rijden en het inhalen bij een doorlopende witte lijn staan strenge boetes van $ 300 of meer. En toch zagen we nog betrapte chauffeurs bij de verkeerspolitie langs de kant van de weg staan.

We rijden nu door de provincie Guanacaste. Toen Centraal-Amerika nog onder gezag van Spanje viel, was dit een deel van Nicaragua. In Liberia, de provinciehoofdstad, lassen we een pauze in. In de toeristische gidsen staat de stad en de omgeving beschreven als dé plek om kennis te maken met folklore, kleurrijke optochten met paarden, rodeo’s en stierengevechten. Dat zal zo wel zijn, maar op een doordeweekse dag is daar niets van te merken. Voor de komst van Columbus was dit de streek van uitgestrekte droge bladverliezende bossen. Deze werden door de Spaanse kolonisten gekapt om plaats te ruimen voor weilanden. Op de grote boerderijen, hacienda’s, werken de sabanero’s of de cowboys van Costa Rica. Zij houden zich voornamelijk bezig met het kweken van runderen voor de Amerikaanse markt.
De volgende twee nachten verblijven we in een kleine sfeervolle Casa Rural op de rand van het nationale park. Ook hier hebben ze weer een mooie tuin met veel vogels en vlinders. We zien hier onze eerste zwavelborsttoekan en een wenkbrauwmotmot. In een vruchtdragende boom zitten een 10-tal papegaaien: witvoorhoofdamazones. Als we na het ontbijt vertrekken voor een wandeling schijnt de zon, zoals meestal in de vroege morgenuren. Regenbuien vallen meestal tegen 11 uur, om 14 uur en bij zonsondergang. Ze duren niet lang en binnen de kortste tijd is alles weer opgedroogd.

Siproeta epaphus

De weg naar het nationale park loopt over het privaat terrein van een Tico. Deze slimme gast heeft een slagboom geplaatst en hij vraagt 700 colones per persoon om te passeren. Tja, dat is nu eens grond van goudwaarde! Hij gebruikt de inkomsten zeker niet om de weg te onderhouden, want die zit vol met gaten en diepe kuilen.
Vlak voor de ingang ligt een geothermische energiecentrale. Men gebruikt de aardwarmte om stoom te produceren die dan wordt omgezet in elektriciteit. Costa Rica wil als eerste land ter wereld klimaatneutraal worden. Een van de prioriteiten in het Costa Ricaanse milieubeleid is minder afhankelijk worden van fossiele brandstoffen. Vooral geothermische- en windenergie zijn erg belangrijk om dat doel te bereiken.

ekstergaai (Calocitta Formosa)

Op de parking bij het Las Pailas Ranger Station wordt onze aandacht opgeëist door een groepje ekstergaaien (Calocitta Formosa). Bij het betalen van de inkom wordt je naam en paspoortnummer genoteerd, handig bij een eventuele evacuatie. Men is duidelijk niet gerust in de vulkanische activiteit.

vulkanische modderpoel

Men kan hier kiezen uit twee routes door het park: Sendero Las Pailas en Sendero Catarata la Cangreja. We doen eerst de Pailas (of kokend hete modderpoelen) route. In het begin net achter de ingang loopt de wandeling door een droog hellingbos. Dat verandert snel in een tropisch woud met beekjes en watervallen en gaat daarna over naar een savanneachtig grasland met weidse uitzichten. Heel veel afwisseling op zeer korte tijd. Toch is deze wandeling beroemd vanwege de vulkanische modderpoelen, zwavelbronnen en fumarolen of stoomkraters die ontstaan door onderaardse opwarming van regenwater. Op verschillende plaatsen komt de naar zwavel stinkende stoom uit de grond, die de omliggende rotsen geel en rood kleurt. Het geheel heeft iets surrealistisch. Je staat midden in de jungle op een open plek, waarbij je op een vulkaan uitkijkt terwijl er aan alle kanten stoom opstijgt die tot boven de boomtoppen rijkt. Tegelijk ruikt je zwavel en hoort het geschreeuw van een grote groep brulapen.

Morpho menelaus

Tijdens de hele wandeling fladderen er veel vlinders rond, vooral in de buurt van de watervallen. Het valt ons op dat van de meeste vlinders de vleugels heel fel ‘versleten’ zijn. Een van de meest opvallende is prachtige handgrote morpho-vlinder. Die is flitsend blauw, maar als hij gaat zitten klapt hij onmiddellijk zijn vleugels dicht. Dan is het maar een ‘saai’ bruin beestje, dat je nauwelijks ziet zitten. Die schutkleur, samen met de grote oogvlekken beschermt de vlinder tegen roofdieren. Hoe we ook ons best doen het blijft ontzettend moeilijk om ze te fotograferen. Of ze zitten met hun vleugels dicht, of ze willen niet gaan zitten of er zit net een tak of een blad voor.
Midden in het gebied zien wij plots een grote groep witschouderkapucijnapen. Het zijn er zeker meer dan twintig. Ze tellen is moeilijk want ze zijn heel beweeglijk. De meeste zijn druk bezig met het zoeken van sappige vruchten in de bomen. Maar ze maken ook ruzie en zitten achter elkaar aan.

zwarthandslingeraap (Ateles geoffroyi)

Een eindje verder wordt onze aandacht weer getrokken door enkele apen. Nu staan wij naar een groepje zwarthandslingerapen (Ateles geoffroyi) te kijken. Deze soort hadden wij nog niet gezien. Eentje ervan laat zich mooi fotograferen. En inderdaad het zijn slingerapen. Ze bewegen zich heel anders voort en maken hierbij uiterst handig gebruik van hun lange armen en staart.

boa constrictor (Boa constrictor)

Ook hier komen we oog in oog te staan met een slang, het is een flinke boa constrictor. Deze soort is niet giftig, het is een wurgslang. Ze kruipt traag over het pad en heeft een heel dik gezwollen buik. Ze lijkt op weg te zijn naar een hoop dood hout in de bocht van het pad. Zo’n boa kan niet horen maar voelt wel trillingen; ook zien ze zeer slecht, maar in de onderlip hebben ze beeldvormende organen voor infraroodstraling, waardoor ze de warmte van hun prooien kunnen ‘zien’. Roerloos wachten ze tot een prooi langskomt, die ze dan grijpen en wurgen door er zich omheen te draaien. Daarna slikken ze de prooi in zijn geheel in. Na zo’n maaltijd trekken ze zich enkele dagen terug voor de vertering.

witschouderkapucijnaap (Cebus capucinus)

Na de middagpauze willen we de tweede wandeling, de Sendero Catarata la Cangreja, naar de waterval van Cangreja, doen. Helaas is het volgens de parkwachters al te laat om te vertrekken, want tot aan de waterval is het 5 kilometer en dan moeten we ook nog eens terug. We mogen wel nog vertrekken maar moeten beloven na een uur stappen om te keren, want om 16 uur sluit het park. Tijdens deze wandeling heb je echt het gevoel om in de ongerepte natuur te zijn. Zo een wandeling in de jungle is moeilijk te beschrijven. Er is de muur van planten, die ervoor zorgt dat het lijkt alsof je in de schemering loopt ook al is het midden op de dag. Door de zompige, rotsachtige ondergrond met de vele wortels waar je over moet klauteren moet je goed opletten waar je stapt. Ook de warmte en de hoge luchtvochtigheid zorgen voor een bepaald gevoel. Maar wat ons vooral opviel was de totale stilte. Een aanrader! En braaf als we zijn, waren we op tijd terug

Fotoalbum ‘Costa Rica 2019 – Rincón de la Vieja’ weergeven

Parque Nacional Carara en Tárcoles

Fotoalbum ‘Costa Rica 2019 – Parque Nacional Carara en Tárcoles’ weergeven

Ook de volgende dagen blijven we dicht bij de kust, aan de kant van de Pacifische Oceaan, maar wel 120 km noordelijker, in de buurt van het Carara Nationaal Park. We rijden eerst terug naar de hoofdbaan in het centrum van Quepos. In de jaren 30 van de vorige eeuw was dit stadje met zijn haven, hét centrum van de bananenindustrie. Midden vorige eeuw werden echter de bananenplanten aangetast door de verwoestende panamaziekte, een onbehandelbare schimmel die de planten via de wortel vergiftigt en doet afsterven. Hier heeft men toen alle plantages gerooid en vervangen door oliepalmen. De volledige bananen productie is nu geconcentreerd aan de oostkant van Costa Rica. Daar cultiveert men nu de Cavendish banaan, een andere variëteit dan destijds hier.

Mexicaanse tijgerroerdomp (Tigrisoma mexicanum)

Langs de kust ten noorden van Quepos liggen mooie stranden die van elkaar gescheiden worden door rivierdelta’s. Deze kuststrook is erg populair bij overwinterende Canadezen en bij surfers. Verschillende topsurfers hebben zich hier gevestigd en baten surfscholen uit. De stad Jacó is daardoor stillaan uitgegroeid tot een van de populairste badplaatsen in Costa Rica.
Dicht bij de kust vliegen grote vogels. We stoppen en zien verschillende Amerikaanse fregatvogels. De mannetjes hebben in de paartijd een roodgekleurde keelzak die ze kunnen opblazen. Hoewel ze altijd in de omgeving van water vertoeven zal men ze nooit op het water zien landen, zien zwemmen of duiken. Dat kunnen ze niet omdat hun verenkleed niet waterafstotend is. Wel blijven ze urenlang net boven het water zweven om vooral (vliegende) vissen en insecten te vangen. Als we de kustbaan oversteken komen we op het strand uit bij een grote kolonie bruine pelikanen. Dit zijn wel goede duikers en zwemmers. Zij gebruiken hun grote keelzak als visnet.

spitssnuitkrokodil (Crocodylus acutus)

Bij het dorp Tárcoles steekt de carretera 34 de Tárcoles rivier over. De brug staat in elke toeristische gids aangegeven als dé plek om krokodillen te zien. Hoewel krokodillen langs de hele Pacifische kust voorkomen liggen onder en bij de brug tientallen exemplaren te zonnen. Om ze goed te zien moet je over een smalle stoep tot midden op de brug lopen en dat terwijl het zware vrachtverkeer langs je dendert. Het zijn spitssnuitkrokodillen (American Crocodiles). De mannetjes kunnen gemakkelijk 5 tot 6 meter worden, ze liggen graag op de grens tussen zoet en zout water. Ze voeden zich met vis, grotere zoogdieren, vogels, kikkers en schildpadden. Vroeger werden ze hier gevoederd door de uitbaters van bij de brug gelegen winkeltjes en restaurants. Dat is nu bij wet verboden.

groene leguaan (Iguana iguana)

Vanaf de brug heb je ook mooi zicht op de omgeving. Prominent aanwezig is een groene leguaan die op een boomstam ligt te zonnen. Groene leguanen kunnen tot 2 meter lang worden. Enkel de jonge dieren zijn groen, daarna kunnen ze in kleur variëren van grijs-, olijf- tot donkerbruin. In de paartijd worden de mannetjes fel oranje.
De Río Tárcoles vormt de noordelijke grens van het Nationale Park van Carara. Dit kleine park ligt op de overgang tussen het droge noordelijke en het vochtige zuidelijke ecosysteem. Een uitzonderlijk biotoop want de dieren en planten van beide systemen komen hier voor. Net voordat de rivier in de oceaan uitmondt, stroomt hij door een uitgestrekt wetland en door een mangrovebos, waardoor de omgeving erg vogelrijk is.

geelkruinkwak (Nyctanassa violacea)

Vanuit het dorp Tárcoles kan men tochten maken op de rivier, vooral om krokodillen ze zien. Wij boeken 2 bird watching tours bij Jungle Crocodile safari. Onze eerste boottrip later op de middag hebben we al na een half uur moeten afbreken. Eerst viel het nog mee en zagen we een Amerikaanse kleine zilverreiger en de geekruinkwak nog mooi staan. Daarna viel het water met bakken uit de lucht en viel er echt niets meer te zien of te fotograferen. In ruil voor de uitgeregende excursie biedt de gids aan zowel morgenvroeg als de dag erna met ons uit te varen.
Na regen komt zonneschijn, en dat is hier niet anders. We kunnen nog even voor zonsondergang gaan kijken in de buurt van de monding van de Tárcoles. Hier ligt een strook modderig slib waarop veel de vogels zitten, vooral sternen en meeuwen. Op de oever ligt ook heel wat plastiek en rommel aangespoeld, niet echt fraai. De gids vertelde ons dat de dorpsbewoners twee keer per jaar alle rommel opruimen.
Zoals afgesproken zijn we om 5:45 uur bij de aanlegsteiger. Zo vroeg, om de vogels bij zonsopgang te kunnen zien, maar ook omdat dit tijdstip gunstig is in verband met het getijde op de rivier.

Amerikaanse slangenhalsvogel (Anhinga anhinga)

helmbasilisk (Basiliscus basiliscus)

We varen eerst stroomopwaarts. Langs de oever zien we een Amerikaanse steltkluut en een Amerikaanse blauwe reiger. Verderop zit een helmbasilisk. Ze zijn te herkennen aan hun slank, zijdelings afgeplat lichaam, lange poten een relatief lange staart. De mannetjes hebben een opvallende kam op de kop (helm) en op de rug. Een basilisk is in staat om op zijn achterste poten over het water te rennen, vandaar dat ze ook Jezus Christushagedissen worden genoemd. We kunnen ons lijstje met reigers verder aanvullen met nog enkel soorten zoals de witbuikreiger, de koereiger en de erg mooie kleine blauwe reiger. Een erg fotogenieke vogel die op een tak midden in de rivier zit te zonnen is de Amerikaanse slangenhalsvogel. De zilvergrijze veren op de vleugels blinken in de zon. Zijn naam heeft deze vogel te danken aan zijn extreem lange, dunne nek. Op de zandbanken en de oevers liggen de spitssnuitkrokodillen te zonnen. Zo van dichtbij zijn ze nog indrukwekkender dan vanaf de brug.

Amerikaanse fregatvogel (Fregata magnificens)

We varen stroomafwaarts terug en gaan richting de mangrove. Dit uiterst kwetsbaar ecosysteem, dat nauwelijks toegankelijk is, is een belangrijk broedgebied voor heel veel vogels zoals aalscholvers, pelikanen, ijsvogels en fregatvogels, maar ook voor vissen en allerlei andere dieren zoals slangen, hagedissen, en tal van zeedieren. Tussen de bomen of onder de lange wortels in het water, hebben ze hier de kans om veilig op te groeien. Onze bootsman en tevens (zeer goede) gids is erg behendig. Hij slaagt er telkens in om de dieren heel dicht te benaderen zodat ze op de best mogelijke manier gefotografeerd kunnen worden. Zo krijgen we hier onder andere 4 soorten ijsvogel te zien: de Amerikaanse reuzenijsvogel, de groene ijsvogel, de groene dwergijsvogel en de Amazone ijsvogel. Ook zien we hier de schuitbekreiger. Duidelijk herkenbaar aan de brede, afgeplatte snavel die lijkt op een omgekeerde boot. Daar hij nachtactief is zit hij gedurende de dag roerloos in een boom.

schuitbekreiger (Cochlearius cochlearius)

De Tárcoles rivier is ook erg goed voor roofvogels, logisch want het aanbod aan voedsel is hier enorm. Dichtbij de monding zien we weer andere vogels zoals: fregatvogels, bruine pelikanen, witte ibissen, kaalkopooievaars, een Mexicaanse tijgerroerdomp en een geelkopcaracara.
Na de boottocht gaan we wandelen in het Carara Nationaal Park. In de boeken wordt het biotoop beschreven als primair regenwoud. Dat wil zeggen dat het onaangetast is door de mens. In vergelijking met het NP Manuel Antonio is het hier veel natter, met een dichtere begroeiing en meer muggen en andere insecten. Er zijn in dit park twee ingangen; een noordelijke en een zuidelijke. Bij de zuidelijke moet je tickets kopen, bij de noordelijke, het Laguna Meandrica-pad is er enkel ticketcontrole. In de maanden september en oktober is dit pad gesloten vanwege overstromingen door de veelvuldige regen.

geelkruinkwak (Nyctanassa violacea)

Vandaag, 10 november is het pad open. We volgen het tot aan het einde, daarna keren we op onze stappen terug. Hoewel in dit park heel veel dieren leven is het omwille van de vele boomlagen moeilijk om ze waar te nemen. De hoogste bomen kunnen gemakkelijk 60 m en meer worden en het is net in hun kruinen dat de meeste dieren leven. In de ondergroei komen vooral boomsoorten voor die aangepast zijn aan het schaarse zonlicht. Opvallend is dat er op de bodem nauwelijks begroeiing is. Wel zien we op dood hout allerlei beestjes rondkruipen en overal groeien prachtige paddenstoelen. Er vliegen ook veel vlinders. Op een iets open plek zien we een zwartsnaveltoekan.

Bothrops asper

Als we terug richting uitgang wandelen kruist net daar waar Felix zijn voet wil zetten een grote slang het pad. Het dier heeft de dikte van een onderarm is wel 2 m lang. Wij wijken achteruit en even denken we zelfs dat het er twee zijn. Als wij wat bekomen zijn maken we snel een paar foto’s, zodat we kunnen achterhalen wat hier rondkruipt. Het is een prachtig beest! We zien een brede driehoekige kop met een iets naar boven gekromde spitse neuspunt en grote ogen met verticale pupil. Een soort adder…dus!

Bothrops asper

Aan de uitgang laten we de foto’s zien aan de man van de ticketcontrole. Die schrikt, want dit is overduidelijk een zeer agressieve en uiterst giftige terciopelo = Fer-de-lance (Bothrops asper). De Franse naam, die ook in het Engels gebruikt wordt wijst erop dat het dier als een speerpunt kan uithalen om te bijten. Zelfs na een behandeling met een goed werkend anti-serum kan de schade enorm zijn en kunnen ganse lichaamsdelen afsterven. Het is dan ook de slang met de meeste menselijke slachtoffers op het Amerikaanse continent; ook al omdat één vrouwtje per worp wel zestig tot honderd levende slangetjes kan baren, die onmiddellijk giftig zijn. Bij een beet van zo’n slang is elke minuut kostbaar en moet het slachtoffer met spoed naar een ziekenhuis in de hoofdstad gebracht worden. Als dat niet binnen de twee uur lukt is de kans op een fatale afloop erg groot.

kaalkopooievaar (Mycteria americana)

Het is 5 uur in de ochtend en nog donker als we aan de Cerro lodge vertrekken voor de tweede boottocht. Jammer, want de omgeving van de lodge moet ook zeer interessant zijn. Vandaag kiest de bootsman ervoor om eerst naar de mangrove te varen en daarna stroomopwaarts. Als vogelliefhebber wordt je absoluut vertroeteld in Costa Rica, want als we ons lijst je verder aan vullen komen we bij 45 soorten tijdens de twee tochten. Dat kan tellen!

geelvleugelara (Ara macao)

bruine pelikaan (Pelecanus occidentalis)

Tárcoles

Voor we doorrijden naar onze volgende bestemming rijden wij nog even naar de vissershaven van Tárcoles. Tussen de vissersbootjes lopen bruine pelikanen en zwarte gieren. Wij komen echter voor de Scarlet Macaws of geelvleugelara’s die hier aan het strand de vruchten van de amandelbomen (árbol de almendro) komen eten. Deze prachtige, grote papegaai heeft een rood lijf en staart, een felgele bovenvleugel met blauwe met iets groene veren. De vorige dagen hadden we al meerdere koppeltjes luid krijsend horen overvliegen of veraf zien zitten bij de krokodillenbrug. Maar zo dicht bij dat is pas leuk. In Costa Rica komen geelvleugelara’s bijna uitsluitend voor in en rond het Carara Nationaal Park. In het verleden werden ze vaak gevangen voor de handel. ’s Nacht verblijven ze in de mangrovebossen en tijdens de dag vliegen ze uit om zich te voeden. Je kan wel blijven kijken naar deze superkleurrijke en intelligente vogels. Ze zijn hyperactief: vliegen rond, komen heel dicht bij en zijn continu met elkaar aan het spelen en aan het vechten: een perfecte show!

Fotoalbum ‘Costa Rica 2019 – Parque Nacional Carara en Tárcoles’ weergeven